| Plan: | TAM-omgevingsplan Woongebied 't Beggelder |
|---|---|
| Status: | ontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0197.TAM20240007-ON01 |
Ter plaatse van de locatie 't Beggelder, in het huidige buitengebied nabij de kern Dinxperlo, zijn diverse agrarische percelen gelegen. De gemeente Aalten en de initiatiefnemer hebben het voornemen om op deze locatie woningbouw te realiseren.
Het projectgebied is ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen bestemd als 'Agrarisch', met de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie lage verwachting' en 'Waarde - Archeologie hoge verwachting'.
Op grond van het 'Omgevingsplan gemeente Aalten', met onderliggend het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2015', is de bouw van de nieuwe woningen niet toegestaan. Om dit te realiseren, is het wijzigen van het omgevingsplan noodzakelijk. Voorliggende motivering toont aan dat het plan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat het plan ruimtelijk wenselijk is.
Het projectgebied ligt ten westen van de kern Dinxperlo, globaal gelegen tussen de Beggelderdijk en de bestaande woningen. In de huidige situatie bestaat het projectgebied uit diverse agrarische percelen, waardoor de gronden ook voor agrarische functies gebruikt worden. In de omgeving van het projectgebied bevinden zich meerdere percelen met diverse functies ten behoeve van agrarische activiteiten, wonen, bedrijvigheid, bos en water. Deze functies zijn binnen en buiten de kern Dinxperlo gelegen.
Op de navolgende afbeeldingen is de ligging en begrenzing van het projectgebied met een rode markering weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het projectgebied wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit plan.
Globale ligging projectgebied op luchtfoto
Globale begrenzing projectgebied op luchtfoto
De motivering van dit TAM-omgevingsplan is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk (Hoofdstuk 1) vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de omgevingsplanwijziging die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk-functionele situatie. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de gewenste situatie, de beoogde ontwikkeling en de strijdigheid met het geldend omgevingsplan. In Hoofdstuk 4 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In Hoofdstuk 5 wordt inzicht gegeven in diverse planologische en milieuaspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In Hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid, waaronder de voorbereiding en participatie van onderhavig plan. Tot slot wordt in Hoofdstuk 7 ingegaan op de vraag hoe hetgeen in voorliggend plan is vastgelegd juridisch wordt geregeld. Ook wordt in dit hoofdstuk aangegeven hoe de regels moeten worden geïnterpreteerd en uitgelegd. In dit hoofdstuk worden ook alle functies uitgelegd en wat daar in hoofdlijnen is toegestaan.
In de huidige situatie is het projectgebied in gebruik ten behoeve van agrarische activiteiten met een bestaand agrarisch gebouw. Aan de oostzijde wordt het projectgebied begrenst door bestaande woningen (gelegen aan de Bosmanslaan, De Hooilanden en De Hagen). Ten noorden van het projectgebied ligt de Beggelderdijk. Aan de westzijde van het projectgebied bevindt ook de Beggelderdijk en zijn er meerdere woonpercelen aanwezig. Ten zuiden van het projectgebied bevinden zich diverse agrarische percelen en een woonperceel. Het landschap rondom het projectgebied kenmerkt zich door overwegend kleinschalig verkavelde percelen ten behoeve van agrarische activiteiten, wonen, bedrijvigheid, bos en water.
De navolgende afbeeldingen geven een impressie van de huidige situatie in het projectgebied gezien vanaf de Beggelderdijk (noord- en westzijde). Tevens is er een luchtfoto toegevoegd, waarin het projectgebied is omlijnd met een rode stippellijn.
Impressie bestaande situatie projectgebied, gezien vanaf de Beggelderdijk (noordzijde)
Impressie bestaande situatie projectgebied. gezien vanaf de Beggelderdijk (westzijde)
Impressie bestaande situatie projectgebied. gezien vanaf de Bosmanslaan
De gemeente Aalten en de initiatiefnemer hebben het voornemen om op diverse agrarische percelen woningbouw te realiseren. Om tot voorliggend TAM-omgevingsplan te komen is een proces doorlopen. Ten eerste is door Buro Ontwerp & Omgeving een Ontwikkelvisie opgesteld, waarin uitgangspunten en randvoorwaarden zijn benoemd en er een ruimtelijk raamwerk is vastgelegd voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling. Het college van B&W heeft op 15 oktober 2024 ingestemd met de Ontwikkelvisie. Deze Ontwikkelvisie is vervolgens door Buro Ontwerp & Omgeving verder uitgewerkt tot een stedenbouwkundig plan, waar de gemeenteraad op 24 juni 2025 mee ingestemd heeft. Beide documenten zijn ook als bijlagen (zie Bijlage 1 en Bijlage 2) opgenomen bij de motivering.
Het stedenbouwkundig plan laat de vertaling van het ruimtelijk raamwerk naar een stedenbouwkundig plan zien. Het projectgebied is ontworpen op basis van de kenmerken van het onderliggende landschap (bodem- en watersturend ontwerp). Het groene raamwerk is geïnspireerd op de geomorfologie van het gebied. Het groene raamwerk vormt de basis voor de structuur van de wijk, waardoor er ook sprake is van een 'groene uitstraling'. Het raamwerk speelt een belangrijke rol in de wijk voor spelen, verbindingen voor langzaam verkeer, waterberging en als sociale voorziening. Het nieuwe woongebied wordt door het raamwerk opgedeeld in woonvelden. Er zijn twee woonsferen/identiteiten in het plan. Een deel sluit aan bij het dorpse karakter van Dinxperlo en een deel bij het landelijke karakter van buurtschap ‘t Beggelder.
Centraal in het projectgebied ligt een bestaand woonerf met daarop twee woningen. Het erf is, in overleg met de bewoners, ingepast in het nieuwe plan. Het erf krijgt een nieuwe ontsluiting. De oude ontsluiting wordt onderdeel van de nieuwe padenstructuur van de wijk. Het erf wordt omkaderd met een nieuwe boomstructuur.
Het bestaand agrarische perceel aan de noordzijde van het projectgebied wordt, in overleg met de bewoners, gewijzigd naar een regulier woonperceel. De noordelijke rand van dit perceel wordt ook onderdeel van de nieuwe padenstructuur van de wijk.
Met het planvoornemen wordt gestreefd naar een woningbouwontwikkeling dat zorgt voor een aantrekkelijk woongebied met aandacht voor de bestaande landschappelijke structuren. Er worden in totaal circa 250 woningen mogelijk gemaakt op de locatie. Navolgende afbeelding geeft het ontwerp van het stedenbouwkundig plan weer.
Schetsontwerp d.d. 25-04-2025
Woningbouwprogramma
Het woningbouwprogramma voldoet aan de Achterhoekse woondeal en het gemeentelijke woonbeleid. De betaalbare koop (32%) is verdeeld over twee categorieën. Goedkope koop (tot een prijs van €260.000) en betaalbare koop (tot een prijs €370.000). Verder bestaat het woningbouwprogramma uit 40% vrije sector en 28% sociale huur.
In totaal bestaat de toekomstige woningvoorraad in het woningbouwprogramma uit circa 250 woningen, verdeeld over verschillende woningtypen. In de eerste fase (tot 2031) zullen circa 150 woningen gebouwd worden. Het wonen is geclusterd in een aantal velden. Dit bevordert de kleinschalige en dorpse uitstraling van de wijk. Een bijkomend voordeel is dat een ontwikkeling in fasen mogelijk is en de wijk is altijd ‘af’.
Er worden verschillende grondgebonden woonvormen toegepast en deze worden gemixt in de wijk. Dit voorkomt een monotone uitstraling van delen van de wijk en zorgt ervoor dat per fase ook de juiste woonmix kan worden aangeboden.
Gestapeld wonen heeft een beperkt aandeel in het programma. In het stedenbouwkundig plan is één appartementengebouw voorzien, deze ligt centraal in het gebied en langs de hoofdontsluiting. In de Ontwikkelvisie zijn ook overige zoekzones aangegeven waar mogelijk gestapeld wonen gerealiseerd kan worden. De maximale hoogte bedraagt vier bouwlagen waarvan de bovenste laag als kap of voorzien van een setback.
Groen en water
Het groene raamwerk van de woningbouwontwikkeling in het projectgebied vormt de drager van het stedenbouwkundig plan en is gebaseerd op het historische kampenlandschap, gekenmerkt door onregelmatige verkaveling, bomenrijen, singels en houtwallen. Dit raamwerk verbindt de woonvelden op natuurlijke wijze met elkaar, volgt de hoogtelijnen van het landschap en is vooral gesitueerd in de lager gelegen delen, waar ruimte is voor waterberging, ecologie en sociale interactie.
Een belangrijk onderdeel van het raamwerk zijn de wadi’s: natuurlijke wateropvangsystemen die ook dienen als speel- en ontmoetingsplek. Ze bestaan uit twee niveaus: één voor waterberging en één voor recreatief gebruik. Natuurlijke speelelementen, bloemrijke beplanting en schaduwrijke bomen zorgen voor een aantrekkelijke, klimaatadaptieve leefomgeving. Het aspect water is nader toegelicht in paragraaf 5.8. De vele bomen in het gebied bieden verkoeling en versterken de biodiversiteit.
Een padennetwerk doorkruist het raamwerk in oost-west richting, waaronder drie belangrijke verbindingen naar de Beggelderdijk en het buitengebied. Twee extra routes sluiten aan op de Bosmanslaan en het 700 Bomenbos. De meeste paden zijn uitgevoerd in natuurlijke halfverharding, passend bij het landschap en klimaatadaptief.
Binnen het raamwerk worden diverse boomsoorten aangeplant, afgestemd op het onderliggende landschap. Ook worden hagen en heesterplantvakken gebruikt op overgangen tussen openbaar en privéterrein. Deze zorgen voor variatie, herkenbaarheid en dragen verder bij aan biodiversiteit en een gezonde leefomgeving.
Het groene raamwerk binnen het gehele projectgebied (in relatie tot aspecten als duurzaamheid en klimaatadaptatie e.d.) is nader uitgewerkt in de Ontwikkelvisie (zie Bijlage 1) en het stedenbouwkundig plan (zie Bijlage 2).
Verkeer en parkeren
De woonvelden en het groene raamwerk worden met elkaar verbonden door een fijnmazig netwerk van paden en de wegenstructuur. De wegenstructuur zorgt voor de ontsluiting van het projectgebied. Via een centrale hoofdontsluiting zijn de woonvelden ontsloten op de Beggelderdijk aan de noordzijde. Een calamiteitenroute loopt via het bestaande pad (toegangspad Beggelderdijk 44/44a in huidige situatie) dat is ontsloten op de Beggelderdijk aan de westzijde van het projectgebied.
De wegen zijn onder te verdelen in drie categorieën:
Auto's zijn ondergeschikt in het straatbeeld en parkeren wordt geclusterd. Waar mogelijk wordt parkeren op eigen erf gerealiseerd, bij voorkeur met twee naast elkaar gelegen parkeerplaatsen. De gemeentelijke parkeernota van Aalten vormt de basis voor de parkeerbalans.
Dankzij de flexibele inrichting van de woonstraten zijn er voldoende parkeerplaatsen aanwezig. Dit biedt ruimte voor aanpassingen in latere ontwikkelfases.
In het stedenbouwkundig plan zijn 460 parkeerplaatsen voorzien. De parkeernormen van de gemeente Aalten worden gehanteerd en binnen de planopzet is er sprake van een kloppende parkeerbalans. Zie hiervoor ook het stedenbouwkundig plan, welke is opgenomen als Bijlage 2. Het aspect verkeer en parkeren is nader toegelicht in paragraaf 5.11.
Beeldkwaliteitplan
Een beeldkwaliteitplan is een instrument om de gewenste ruimtelijke en architectonische kwaliteit van een gebied te definiëren, te borgen en te toetsen, zodat nieuwe ontwikkelingen goed passen binnen het beoogde geheel. Door Buro Ontwerp & Omgeving is een beeldkwaliteitplan (zie Bijlage 3) opgesteld om de ruimtelijke kwaliteit van het projectgebied te waarborgen en te sturen. Het beschrijft wat voor uitstraling, sfeer en ruimtelijke samenhang gewenst is bij de nieuwe woningbouwontwikkeling.
In het beeldkwaliteitplan worden diverse beeldkwaliteitscriteria (bijvoorbeeld bebouwing, situering en materialisering) benoemd ten aanzien van gebiedsbreed, het deelgebied 'Dorps' en het deelgebied 'Landelijk'. Daarnaast wordt een beeld geschetst over de overgangen tussen privé en openbaar, het groene raamwerk en de verhardingen.
Voor het projectgebied geldt het (tijdelijk deel van het) 'Omgevingsplan gemeente Aalten', met onderliggend het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2015'. Ook de regels uit het 'Parapluplan gemeente Aalten', vastgesteld op 21 augustus 2018, zijn van toepassing.
Op basis van het (tijdelijk deel van het) 'Omgevingsplan gemeente Aalten' is de locatie van het projectgebied bestemd als 'Agrarisch', met de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie lage verwachting' en 'Waarde - Archeologie hoge verwachting'.
Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan weergegeven. Het projectgebied is hierop met een rode lijn weergegeven.
Uitsnede (tijdelijk deel van het) omgevingsplan
Binnen de bestemming 'Agrarisch' is wonen niet toegestaan. Het initiatief voorziet in de realisatie van circa 250 woningen in totaal. Om de realisatie van de woningen mogelijk te maken, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk.
Daarnaast is aan de noordzijde van het projectgebied het agrarisch bouwperceel Beggelderdijk 48 gelegen. Dit perceel wordt, in overleg met de eigenaren, ook meegenomen in deze wijziging van het Omgevingsplan.
In dit hoofdstuk wordt een weergave van het relevante beleid op rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau gegeven. Aangegeven wordt hoe het plan zich verhoudt tot de diverse beleidskaders.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De NOVI is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers.
Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan:
Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.
De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk dus een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken met als doel om het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's):
In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Ten aanzien van dit project wordt er ingespeeld op de opgave van het bouwen van nieuwe woningen om het nationale woningtekort op te lossen. Met de realisatie van het initiatief worden circa 250 nieuwe woningen gerealiseerd.
Tevens wordt er met het initiatief een bijdrage geleverd aan het sterker en leefbaarder maken van steden/dorpen en regio's. De woningen die op de locatie worden gebouwd dragen bij aan de behoefte aan en ondersteuning van het voorzieningenniveau in Dinxperlo en omgeving.
Met de voorgenomen ontwikkeling binnen het projectgebied zijn geen overige nationale belangen gemoeid. Er zijn een aantal instructieregels van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Deze worden verder uitgewerkt in Hoofdstuk 5.
Op 19 december 2018 is de omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. In deze visie beschrijft de provincie welke richting de provincie op wil op het gebied van energie, klimaat, water, voedsel en ook hoe de provincie de omgeving wil inrichten.
Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, legt de provincie bij het uitvoeren van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities geeft de provincie hier richting aan:
Voor dit plan zijn de ambities voor het 'woon- en leefklimaat' en 'klimaatadaptatie' van toepassing. De provincie streeft naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Zo worden de economische kracht en kwaliteit van leven in Gelderland versterkt, nu en in de toekomst.
Woon- en leefklimaat
Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke als landelijke. De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen. In onze groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen. Tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand stedelijk gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en gaat voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan worden uitgebreid aan de randen van de steden of dorpen.
Klimaatadaptatie
Het klimaat verandert merkbaar. Hoosbuien, stijgende temperaturen, extreme hitte, langdurige droogte, de uitdroging van land- en tuinbouwgronden, bodemdaling, bosbranden en toenemende overstromingsrisico's. Het veranderend klimaat gaat aan niemand voorbij en raakt alle facetten van onze omgeving. Zoals de Gelderse natuur – met haar vele grote en kleinere rivieren en rijkdom aan dier- en plantsoorten. Maar ook onze eigen gezondheid en veiligheid. De provincie wil hierop voorbereid zijn. De provincie zet daarom vooral en eerst in op het tegengaan van de risico's en gevaren van de klimaatverandering. Dit heeft prioriteit: dat wij in 2050 in Gelderland optimaal beschermd zijn en kunnen meebewegen met het veranderend klimaat. Overtollig water moet dan zonder problemen kunnen worden opgevangen, wegstromen en in de bodem kunnen zakken en verdroging van land- en tuinbouwgebieden en bossen moet worden tegengaan. De provincie werkt hier vooral aan vanuit haar betrokkenheid bij waterveiligheid, waterkwaliteit, bodem en natuur en houdt daarbij rekening met de variatie van de Gelderse streken. In tijden van overvloed wordt het water opgevangen en voor langere tijd vast gehouden in de beken. En: de provincie zorgt voor voldoende schoon en gezond grond- en oppervlaktewater voor de Gelderse natuur en land- en tuinbouw. En: voldoende schoon en gezond drinkwater voor mens en dier.
De provincie beschikt over verschillende instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De Omgevingsverordening is op 19 december 2018 door de Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en in werking getreden op 1 maart 2019. Nadien is de verordening een aantal keren op onderdelen geactualiseerd, met als meest actuele versie de datum 14 november 2025. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
Ten aanzien van voorliggende ontwikkeling zijn de regels van de onderwerpen 'woonlocaties en recreatiewoningen' en 'klimaatadaptatie' relevant.
Paragraaf 5.7.1 Woonlocaties en recreatiewoningen (5.64)
In de verordening wordt aangegeven dat een omgevingsplan nieuwe woningen alleen toe laat als die
ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. Als een ontwikkeling niet past binnen de regionale woonagenda, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda die ontwikkeling toch toelaten als:
Afdeling 5.1 instructieregels omgevingsplan: landschap (art. 5.33)
Als een omgevingsplan een activiteit of ontwikkeling toelaat, bevat de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de in het projectgebied aanwezige kernkwaliteiten, in het bijzonder de nationale landschappen.
Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat:
Paragraaf 5.7.6 Klimaatadaptatie, instructieregel klimaatadaptatie (art 5.85)
Voor zover een motivering een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de motivering een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt.
De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een woningbouwprogramma met in totaal circa 250 woningen. Met het initiatief is sprake van een ontwikkeling van een locatie ten westen van bestaand stedelijk gebied (kern Dinxperlo). De nieuwe bebouwing wordt zorgvuldig ingepast in de bestaande landschapsstructuur (en bebouwingsstructuur) in de omgeving van het projectgebied. Er wordt rekening gehouden met de kernkwaliteiten van het landschap behorende bij de streek waarin de voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt. Het projectgebied is dan ook ontworpen op basis van de kenmerken van het onderliggende landschap (bodem- en watersturend ontwerp). Het groene raamwerk is geïnspireerd op de geomorfologie van het gebied. In de Ontwikkelvisie (zie Bijlage 1), het stedenbouwkundig plan (zie Bijlage 2) en het beeldkwaliteitplan (zie Bijlage 3) is verder uitgewerkt op welke manier rekening is gehouden met de aanwezig kernkwaliteiten en hoe deze worden geborgd c.q. versterkt met het voorliggende plan.
De voorgenomen realisatie van de circa 250 woningen is opgenomen in het woningbouwprogramma van de gemeente Aalten. In Dinxperlo zijn de mogelijkheden binnen de kern niet groot om in capaciteit voor de woningbehoefte te voorzien. Er is maar een klein aantal plannen in behandeling c.q. in voorbereiding en het aantal potentiële locaties in de kern is beperkt. Er zijn slechts enkele plannen in voorbereiding voor transformaties van zakelijk en maatschappelijk vastgoed naar wonen. Potentiële locaties liggen vooral in en om het centrum, (her)ontwikkelingen die voortvloeien uit het Centrumplan Dinxperlo. De capaciteit van deze locaties is echter ook te beperkt om de volledige bouwopgave te realiseren. Er is daarom ruimte voor een uitbreidingslocatie binnen het projectgebied van 't Beggelder. Het projectgebied is in de Structuurvisie Dinxperlo-De Heurne 2007 al aangewezen als toekomstig woongebied (‘uitbreiding woongebied na 2020’). Daarnaast zijn er, zoals ook in deze Structuurvisie aangegeven, geen reële alternatieven voor locaties met grootschalige woningbouw.
Ten opzichte van de bestaande situatie neemt het bebouwd oppervlak toe, doordat agrarische gronden gebruikt gaan worden voor o.a. woningbouw en parkeren. Het projectgebied is nu nagenoeg geheel onbebouwd/onverhard. In de nieuwe situatie is sprake van meer bebouwing en het aandeel verhard oppervlak neemt ook toe. Om overlast te voorkomen wordt waterberging gerealiseerd. In Bijlage 12, Bijlage 13 en paragraaf 5.8 wordt aangegeven op welke wijze dit plaatsvindt.
Voor het initiatief is een Ontwikkelvisie (zie Bijlage 1) en een stedenbouwkundig plan opgesteld (zie Bijlage 2). In de Ontwikkelvisie en het stedenbouwkundig plan is aandacht voor bestaande landschapsstructuren, waterberging en nieuwe vergroening van de locatie. Ook zijn de aspecten duurzaamheid, circulariteit, klimaatadaptatie e.d. binnen het projectgebied nader uitgewerkt in de Ontwikkelvisie en het stedenbouwkundig plan. Er is ruimte voor diverse soorten groenvoorzieningen (vergroting schaduw en biodiversiteit), wat evenwichtig over het projectgebied wordt ingepast. Deze ingrepen zullen een positief effect hebben op het voorkomen van wateroverlast, droogte en hitte. Het aspect waterveiligheid is voor het projectgebied niet relevant.
De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de provinciale Omgevingsvisie en de regels op het gebied van 'woonlocaties en recreatiewoningen', 'landschap' en 'klimaatadaptatie'. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met het provinciaal beleid.
Op 28 februari 2023 heeft de gemeenteraad van Aalten de Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030 ('Goed wonen in een vitale regio') vastgesteld als opvolger van de Regionale woonagenda 2015-2025. De directe aanleiding hiervoor zijn de veranderingen op de woningmarkt, in woonbehoeftes en de wens om wonen meer dan voorheen te bezien als een integrale gebiedsopgave. De bevolking in de Achterhoek neemt inmiddels toe en ook de woonbehoeftes veranderen. Er komen meer ouderen, kleine huishoudens en starters vinden moeilijk een plek op de woningmarkt. Alle reden om het bestaande beleid op wonen te actualiseren en doelstellingen aan te passen.
Deze nieuwe agenda kent vier programmalijnen:
De groei van het aantal huishoudens in de regio houdt langer aan dan eerder voorzien. Dit betekent dat er extra woningen moeten komen bovenop het aantal dat nu in afspraken is vastgelegd. Er moet meer ruimte gegeven worden aan de bouw van extra woningen. De prioriteit moet daarbij liggen op woningen waar nu behoefte en een duidelijk tekort aan is. Het Achterhoeks Woonwensen en Leefbaarheidsonderzoek 2017 (AWLO) geeft een helder advies over de bouwopgave: blijf bouwen voor starters en creëer geschikt aanbod waar (actieve) senioren naar kunnen doorstromen. Dit is vertaald naar het geven van extra ruimte door scherpe voorwaarden te stellen aan nieuwe initiatieven voor woningbouw. Met de 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek' zijn regionaal kwalitatieve criteria afgesproken waaraan de gemeenten nieuwe plannen moeten toetsen. Dit betreft de volgende drie kwaliteitscriteria:
In september 2019 stemden de zeven gemeenteraden in de Regio Achterhoek in met de kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek. In oktober 2019 is deze door de provincie Gelderland vastgesteld. De kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw zijn doorvertaald in het 'Afwegingskader nieuwe initiatieven woningbouw' van de gemeente Aalten, vastgesteld op 23 februari 2021. Met dit afwegingskader kunnen nieuwe initiatieven omtrent woningbouw worden getoetst.
Met het initiatief is sprake van een ontwikkeling van een locatie ten westen van bestaand stedelijk gebied (kern van Dinxperlo). De bestaande agrarische gronden worden vervangen door een uitbreiding van een woongebied, waarbij er sprake is van circa 250 nieuwe woningen. Het plan voorziet in een variatie aan woningtypen (vrijstaand, twee-aaneen en aaneengebouwd), waarbij sprake is van onder meer levensloopbestendige woningen en sociale/betaalbare koopwoningen voor starters. Het toevoegen van verschillende typen woningen zorgt voor doorstroming op de markt en voor het bedienen van een zo groot mogelijke groep woningzoekenden. Met het initiatief wordt voorzien in een actuele behoefte aan diverse woningtypen.
Het plan is in overeenstemming met de regionale beleidsuitgangspunten.
Op 23 februari 2021 is de geactualiseerde woonvisie vastgesteld voor de gemeente Aalten. De 'Woonvisie 2021 - 2026' beschrijft het beleid van de gemeente Aalten op het gebied van het wonen, zowel voor nieuwbouw als de bestaande woningvoorraad, fysieke- als sociale opgaven. De visie geeft de kaders aan waar binnen via verschillende maatregelen, instrumenten en afspraken wordt gewerkt om de ambities op de gemeentelijke woningmarkt de komende vijf jaar (2021-2026) te bereiken. Deze kaders zijn richtinggevend waardoor er ruimte is voor flexibiliteit en maatwerk. De volgende onderwerpen komen aan bod in de woonvisie:
Woningbouwstrategie gemeente Aalten
Als uitwerking van de Woonvisie 2021 - 2026 heeft de gemeenteraad de woningbouwstrategie 'flexibel inspelen op de woningvraag' voor de gemeente Aalten vastgesteld. In deze notitie worden diverse uitgangspunten en scenario's belicht voor de kwantitatieve woningbouwopgave voor de komende 10 jaar in de gemeente Aalten. Op basis van de verschillende scenario's is de woningbehoefte ingepland op circa 820 woningen voor de periode 2021-2030. Om eventuele planuitval op te vangen werkt de gemeente Aalten aan een planvoorraad van 1.050 woningen.
Op 20 november 2007 heeft de gemeenteraad het landschapsontwikkelingsplan (LOP) 'Nieuwe noabers, vernieuwend landschap' vastgesteld. Het LOP moet gezien worden als een ideeën- en inspiratieboek voor de ontwikkeling en beheer van het landschap. Naast natuur en landschap geeft het LOP ook concrete voorbeelden voor recreatieve ontsluiting en functieverandering van het landelijk gebied. In het LOP worden negen landschapsensembles onderscheiden:
Landschapsensembles LOP
Voor elk landschapsensemble is een apart werkboek opgesteld. Elk werkboek bevat de volgende onderdelen:
Binnen het LOP is het projectgebied gelegen binnen deelgebied 'Dinxperlo'. Binnen dit landschapsensemble worden in het LOP twee zones om het dorp onderscheiden, die ieder op een eigen manier Dinxperlo met het omliggende landschap kunnen verankeren:
Motto: Brinken langs de dorpsrand en heggen en hagen om de esjes.
Verbindt de woonwijken door ommetjes met het buitengebied. Kerkepad langs Raterink en Wensink weer herstellen. Nieuwe boomweides als brinken langs de dorpsrand en bij de erven langs de rand. Om de dekzandkopjes van Hesselink, Aalders en Wensink esrandbeplantingen stimuleren in de vorm van kopjesingels.
Motto: Openheid naar het rivierengebied met wandeldijkjes en doorn-en roossingels in het open landschap.
De Aa-strang kent al stroomdalflora. Laat het rivierengebied inspiratie bieden voor de zone tussen industrieterrein en Aa-strang, o.a. voor de vroegere vuilstort Bruggenhutte.
Voor het toetsen van plannen voor toevoeging van woningen in de kernen is het uitnodigingskader woningbouw opgesteld. Het Uitnodigingskader woningbouw geeft aan onder welke voorwaarden er ruimte is voor extra woningen in de gemeente Aalten. Levensloopgeschikte, betaalbare woningen voor starters en ouderen in de kernen Aalten, Dinxperlo en Bredevoort hebben voorrang. Er is beperkt ruimte voor extra woningen in de kleine kernen, onder de voorwaarde dat er serieuze belangstelling is vanuit de dorpen.
Voor alle nieuwe woningbouwplannen geldt dat deze moeten voldoen aan:
Initiatiefnemers dienen met plannen bij te dragen aan het programma ‘Een thuis voor iedereen’, waarin is geregeld dat woningbouw zoveel mogelijk levensloopbestendig wordt gebouwd. Daarnaast vraagt het programma aandacht voor groepen die niet vanzelfsprekend aan een (sociale huur) woning kunnen komen. Daarnaast is het beleid geactualiseerd op het gebied van de klimaatdoelen. Zo dienen initiatiefnemers rekening te houden met ten aanzien van de woningbouw duurzaam en klimaatadaptief te bouwen.
De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een woningbouwprogramma met in totaal circa 250 woningen en diverse groen- en waterhuishoudkundige voorzieningen. Met het initiatief is sprake van een ontwikkeling van een locatie ten westen van bestaand stedelijk gebied (kern Dinxperlo). In plaats van agrarische activiteiten gaat het projectgebied ruimte bieden aan circa 250 woningen bestaande uit diverse woningtypen, waarbij sprake is van onder meer levensloopbestendige woningen en sociale/betaalbare koopwoningen voor starters. Het toevoegen van verschillende typen woningen zorgt voor doorstroming op de markt en voor het bedienen van een zo groot mogelijke groep woningzoekenden. Het programma voldoet aan de rijks-, provinciale, regionale en lokale woonbeleid: 28% sociale huur, 32% betaalbaar en 40% vrije sector. Er wordt dan ook voldaan aan het Uitnodigingskader woningbouw met de inhoud van het volkshuisvestelijk kader, de onderbouwing voor de uitbreidingslocatie (zie paragraaf 4.2.3) en de ruimtelijke toets met voorliggend TAM-omgevingsplan. Met het initiatief wordt voorzien in een actuele behoefte aan nieuwe woningen in Dinxperlo en de gemeente Aalten.
Uit de gemeentelijke woonvisie volgt dat er behoefte is aan diverse woningtypen voor diverse groepen woningzoekenden, waarbij er ruimte is voor flexibiliteit en maatwerk. Dit geldt ook voor de twee grote keren van de gemeente Aalten (waaronder Dinxperlo). De ontwikkeling zal een impuls geven aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse (ten aanzien van de aspecten wonen, parkeren, groen en water). De bestaande agrarische gronden worden vervangen door nieuwe duurzame en toekomstbestendige bebouwing die zich voegt in de stedenbouwkundige (en landschappelijke) structuur, passend bij de kern Dinxperlo.
Met de planuitwerking in het stedenbouwkundige plan (zie Bijlage 2) wordt ook in het projectgebied bijgedragen aan de versterking van de groene- en waterstructuur en diverse fiets- en wandelmogelijkheden.
Het initiatief is in overeenstemming met de beleidsuitgangspunten van de gemeente.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect.
Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
In artikel 5.129g van het Bkl wordt de ladder als volgt omschreven:
In artikel 5.129g van het Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Voorliggend initiatief wordt aangemerkt als een woningbouwlocatie.
Om deze redenen is er een toets gemaakt voor de ladder van duurzame verstedelijking. Deze is toegevoegd als Bijlage 4. Geconcludeerd kan worden dat met het plan binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien in zowel de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de locatie van het projectgebied. De voorgenomen ontwikkeling voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;
Door Ortageo Nederland B.V. is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 5 bijgevoegd. Hieronder worden kort de conclusies toegelicht.
Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
Deellocatie A (schuur en toegangspad)
Deellocatie B (overig terrein)
Asfalt
CROW400
Voor de sterke verontreinigingen is de volgende veiligheidsklasse van toepassing:
Voor het overige terrein is geen veiligheidsklasse van toepassing.
Naar aanleiding van de analyseresultaten wordt geadviseerd de onderzoeksresultaten eerst voor te leggen aan bevoegd gezag en in gezamenlijk overleg te bepalen of en waar nader onderzoek nodig is. Concluderend is het projectgebied verder, indien rekening wordt gehouden met de aanbevelingen, op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik (wonen).
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.
Bij bedrijven kunnen activiteiten plaatsvinden die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is.
De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.
De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een woningbouwprogramma met in totaal circa 250 woningen. Met het initiatief is sprake van een ontwikkeling van een locatie ten westen van bestaand stedelijk gebied (kern Dinxperlo). Hiermee is er sprake van de realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten. In de omgeving van het projectgebied is een enkele veehouderij gevestigd op circa 130 meter afstand van het erf tot de rand van het projectgebied. Zie hiervoor de navolgende afbeelding, waarbij de betreffende veehouderij rood is omcirkeld en het projectgebied met een witte stippellijn is weergegeven.
Locatie veehouderij ten opzichte van het projectgebied
Het betreft een rundveehouderij aan de Bohnenweide 20 in Breedenbroek. Op deze veehouderij wordt rundvee gehouden. Voor deze veehouderij gelden geurnormen. Omdat het projectgebied in de toekomstige situatie deel gaat uitmaken van de bebouwde kom van Dinxperlo, geldt voor de nieuwe woningen een norm van 3,0 oue/m3. De betreffende veehouderij heeft een geurbelasting van 890 ou/s. Vanwege deze lage geurbelasting is het daarom aannemelijk dat ter plaatse van het projectgebied een geurbelasting optreedt die lager is dan 3,0 oue/m3. Omdat er tussen het projectgebied en de veehouderij een reeds andere bestaande woning ligt, wordt de veehouderij niet (verder) in zijn ontwikkelingsmogelijkheden beperkt.
In de geurvisie van de gemeente is het geurbeleid voor cumulatie van geur aangegeven. De gemeente Aalten heeft de onderstaande streefwaarden gesteld voor de maximale achtergrondgeurbelasting op geurgevoelige objecten in de volgende gebieden:
Hiermee kan worden gesteld dat voor het projectgebied een streefwaarde geldt van 10 oue/m3. Gezien de afstand van het projectgebied tot de dichtstbijzijnde veehouderij een ruime afstand tot overige veehouderijen is aannemelijk dat in het projectgebied wordt voldaan aan de streefwaarde. In de geurvisie is aangegeven dat geur tot 10 oue/m3 nog als een goed leefklimaat voor kernen wordt gezien.
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door bedrijven, wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen, zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen, worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn:
Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen.
Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, het aspect geluid afgewogen worden.
Door Buro Ontwerp & Omgeving is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. Hieronder worden de belangrijkste resultaten van het onderzoek behandeld.
Selectie van geluidsbronnen
De voorgenomen woningbouwontwikkeling staat nabij diverse geluidsbronnen. Aan de hand van de geluidaandachtsgebieden rondom de diverse wegen, spoorwegen en gezoneerde bedrijventerreinen kan worden bepaald voor welke geluidsbronnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd.
Spoorlijnen zijn in de nabijheid van de nieuwe woningen niet aanwezig. Het projectgebied ligt dan ook niet in de geluidaandachtsgebieden van spoorlijnen. Akoestisch onderzoek naar spoorlijnen is daarom niet nodig.
Het projectgebied ligt aan de Beggelderdijk (in de west-oost richting) en de Beggelderdijk (in de noord-zuid richting) Voor deze gemeentelijke weg (Beggelderdijk) is akoestisch onderzoek noodzakelijk.
Ten oosten van het projectgebied ligt de N317. Het geluidsaandachtsgebied is opgenomen in de basisgeluidemissie (BGE). Uit het BGE uit de Centrale Voorziening Geluidsgegevens blijkt dat de nieuwe woningen buiten het geluidsaandachtsgebied van de N317 liggen. Akoestisch onderzoek naar de N317 is dan ook niet noodzakelijk.
Aan de zuidwestzijde van Dinxperlo ligt het gezoneerde bedrijventerrein De Rietstap. Het projectgebied ligt buiten de zone van dit gezoneerde bedrijventerrein. Akoestisch onderzoek naar het gezoneerde bedrijventerrein De Rietstap is dan ook niet noodzakelijk.
Akoestisch onderzoek is noodzakelijk naar de geluidhinder afkomstig van de gemeentelijke weg (Beggelderdijk).
Resultaten
De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de gemeentelijke wegen, bedraagt 61 dB. Bij de nieuwe woningen binnen het projectgebied wordt de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl overschreden. Wel wordt voldaan aan de grenswaarde van 70 dB uit het Bkl.
Eindconclusie Bkl
Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de grenswaarde uit het Bkl. De standaardwaarde wordt echter niet gehaald. Omdat er geen geluidsreducerende maatregelen mogelijk zijn, moet beoordeeld worden of de optredende geluidbelastingen acceptabel zijn. De optredende cumulatieve geluidsbelastingen komt overeen met classificatie van matig. Wel hebben alle woningen een geluidluwe gevel en een buitenruimte aan de geluidluwe zijde van de woning. Daarmee zijn de cumulatieve geluidbelastingen acceptabel. De realisatie van de nieuwe woningen binnen het projectgebied is daarmee mogelijk.
Eindconclusie Bbl
Op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dient een akoestische binnenwaarde van 33 dB gegarandeerd te worden. Volgens artikel 3.2 van het Bbl bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB.
De hoogste gezamenlijke geluidsbelasting bedraagt 61 dB. Om de binnenwaarde bij de woningen te halen, moet een minimale geluidsisolatie van (61-33=) 28 dB worden bereikt. Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van voorliggend TAM-omgevingsplan.
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen.
Ten slotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren.
Het voorgenomen initiatief voorziet in de woningbouw van circa 250 woningen ten westen van de kern Dinxperlo. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. Het CIMLK geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) in het projectgebied tussen 2022 en 2030. Het CIMLK maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2022, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.
Het rekenpunt (51468751_15573674) dat het dichtst bij het projectgebied ligt (gelegen aan de N317) kent de volgende gemeten waarden voor NO2, PM10 en PM2,5 in 2024:
Voor NO2 en PM10 verbindingen geldt een grenswaarde van 40 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 20 µg/m3. De hoeveelheid NO2, PM10 en PM2,5 in het projectgebied blijft ruimschoots onder de gestelde grenswaarden. De monitoringstool maakt dus duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2023, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Het voorgenomen initiatief voorziet in de woningbouw van circa 250 woningen ten westen van de kern Dinxperlo. In de huidige situatie zijn er geen kwetsbare objecten aanwezig. Door de realisatie van de woningen is er sprake van de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten. Het aantal personen in de dag- en nachtperiode in het projectgebied neemt hierdoor, ten opzichte van de huidige situatie, toe.
De navolgende afbeelding bevat een uitsnede van externe veiligheidskaart van de Atlas Leefomgeving. Het projectgebied is hierop globaal in het rood weergegeven.
Uitsnede externe veiligheidskaart van de Atlas Leefomgeving
In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich geen stationaire of mobiele risicobronnen waarvan de plaatsgebonden risicocontouren of aandachtsgebieden over het projectgebied reiken. Er is daarom geen (beperkte) verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Een nadere toetsing aan het aspect omgevingsveiligheid is daarom niet noodzakelijk.
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie.
Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden; onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur.
De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op aangewezen beschermde soorten in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming in het kader van de Omgevingswet zich op het thema faunabeheer.
De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen.
Quickscan natuurtoets
Door Buro Ontwerp & Omgeving is een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 7 bijgevoegd. De resultaten van het onderzoek worden hierna kort besproken.
Gebiedsbescherming
Natura 2000
Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het in Duitsland gelegen ‘Klevsche Landwehr, Anholtsche Issel, Feldschlaggraben und Regnieter Bach’ dat op circa 2,6 kilometer ten zuidwesten van het projectgebied ligt. Daarnaast zijn een aantal Natura 2000-gebieden (in Nederland en Duitsland) binnen 25 km van het projectgebied gelegen. Door de ruime afstand tussen het projectgebied en het Natura 2000-gebied is verstoring, met uitzondering van het aspect stikstof, niet mogelijk.
Ligging projectgebied (zwarte pijl) ten opzichte van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (groen gearceerde vlakken en lijnen)
Voor het aspect stikstofdepositie (op Natura 2000-gebieden is door Buro Ontwerp en Omgeving een voortoets stikstof (AERIUS-berekening) uitgevoerd ten aanzien van de gehele woningbouw binnen de voorgenomen ontwikkeling. Dit onderzoek is toegevoegd als Bijlage 8.
Uit de berekeningen blijkt dat de realisatie en ingebruikname van de nieuwe woningen in het projectgebied niet leidt tot een toename aan stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Met betrekking tot stikstofdepositie kan worden opgemerkt dat er geen significante effecten zijn op Natura 2000-gebieden. De ontwikkeling betreft dus geen Natura 2000-activiteit zoals beschreven in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waardoor de aanvraag van een omgevingsvergunning niet aan de orde is.
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone
Het projectgebied ligt op circa 650 meter afstand van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en op circa 250 meter afstand van de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast.
Ligging projectgebied (rood kader) ten opzichte van het GNN (donkergroen) en de GO (lichtgroen)
Houtopstanden
De groenvoorzieningen in het projectgebied vallen onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet. De rijksregels over het vellen van houtopstanden zijn daarom van toepassing (artikel 11.111, Bal). Bij het vellen van bomen en/of struiken dient een kapmelding te worden gedaan bij provincie Gelderland. Bovendien geldt er een herbeplantingsplicht. Er wordt geadviseerd om een Vergunningcheck uit te voeren, alvorens eventueel wordt besloten om groenvoorzieningen te verwijderen. Met het initiatief blijven zoveel mogelijk houtopstanden (houtwallen) gehandhaafd.
Soortenbescherming
Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande flora- en fauna-activiteit, bestaande uit het realiseren van nieuwbouw in het projectgebied, de aanwezigheid van een aantal soorten in het projectgebied niet uit te sluiten is. Dit betreft de volgende soorten:
Nader onderzoek naar deze soorten is uitgevoerd. Daarnaast geldt voor flora- en fauna-activiteiten de specifieke zorgplicht. In het kader hiervan moet voor het projectgebied verder rekening gehouden worden met algemene broedvogels en andere diersoorten.
Nader onderzoek
Naar aanleiding van de resultaten/gegevens afkomstig van de uitgevoerde quickscan ecologie is door Ecochore Natuurtechniek B.V. in het projectgebied een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd naar diverse soorten. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 9. Navolgend zijn de conclusies van het nader ecologisch onderzoek per soort weergegeven.
In het projectgebied zijn geen nestlocaties van de huismus of gierzwaluw vastgesteld. Het is voor deze soorten niet noodzakelijk om een omgevingsvergunning aan te vragen of mitigerende maatregelen te treffen voordat de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd.
In het projectgebied zijn geen horsten of eekhoornnesten waargenomen. Het is voor deze soorten niet noodzakelijk om een omgevingsvergunning aan te vragen of mitigerende maatregelen te treffen voordat de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd.
In het projectgebied is territoria van de steenuil waargenomen. Indien de opgestelde aanbevelingen worden meegenomen in de stedenbouwkundige opzet van de verdere planontwikkeling is het niet noodzakelijk om voor steenuil een omgevingsvergunning aan te vragen.
De kerkuil is niet in het projectgebied waargenomen. Voor deze soort is het niet noodzakelijk om een omgevingsvergunning aan te vragen of mitigerende maatregelen te treffen voordat de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd.
In het projectgebied is leefgebied van de bunzing en steenmarter waargenomen. Indien de opgestelde aanbevelingen worden meegenomen in de stedenbouwkundige opzet van de verdere planontwikkeling is het niet noodzakelijk om ten behoeve van het leefgebied van de steenmarter en de bunzing een omgevingsvergunning aan te vragen. Wel is het treffen van mitigerende maatregelen en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het aantasten van een vaste verblijfplaats van de steenmarter noodzakelijk voordat de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd.
In het projectgebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Eveneens vormt het projectgebied geen essentieel leefgebied voor de soort. Het is voor deze soortgroep niet noodzakelijk om een omgevingsvergunning aan te vragen of mitigerende maatregelen te treffen voordat de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd.
In het projectgebied zijn geen exemplaren van de teunisbloempijlstaart vastgesteld. Het is voor deze soort niet noodzakelijk om een omgevingsvergunning aan te vragen of mitigerende maatregelen te treffen voordat de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd.
Ten aanzien van bovenstaande soorten is voor de steenmarter een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit benodigd (aantasten vaste verblijfplaats). Deze dient te worden aangevraagd bij de provincie Gelderland. Hiervoor zijn ook mitigerende maatregelen benodigd. Deze zijn opgenomen in het opgestelde projectplan en ecologisch werkprotocol (zie Bijlage 10). Er kan pas worden gestart met de werkzaamheden als de omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit door de provincie Gelderland is verleend en alle mitigerende maatregelen zijn getroffen.
Bovenstaand zal als voorwaarde bij de omgevingsvergunning worden opgenomen. Hiermee wordt het aspect natuur voldoende geborgd en vormt het geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.
Het aspect ecologie vormt, met inachtneming van de voorgenoemde omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water.
Water in de fysieke leefomgeving
Het waterschap Rijn en IJssel draagt zorg voor het water in en rond het projectgebied van dit Omgevingsplan. Vanuit het leidend principe 'Water en mens in hun element' draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht. Dat geeft het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken.
De fysieke leefomgeving en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Daarnaast wordt onze leefomgeving en het waterbeheer sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben.
Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering.
In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's.
Klimaatrobuust gebied
Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
Veilig gebied
Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
Circulaire Economie en Energietransitie
Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert.
Gezonde leefomgeving
Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.
De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven.
Weging van het waterbelang
Voor een ruimtelijke ontwikkeling maakt de gemeente een belangenafweging om te bepalen of de ontwikkeling passend is. Hierbij moet ook rekening gehouden worden met het waterbelang, conform Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (weging van het waterbelang). Het waterschap verleent advies over de waterbelangen in het plan.
Waterschapsverordening
De eerste versie van de Waterschapsverordening Rijn en IJssel ontstaat van rechtswege bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Die Waterschapsverordening bevat (op basis van artikel 22.14 van de Omgevingswet en artikel 4.7 van de Invoeringswet Omgevingswet):
Overig beleid
De eerste wijziging van de Waterschapsverordening Rijn en IJssel heeft tot doel om de Waterschapsverordening die van rechtswege is ontstaan te integreren tot een goed geordende versie, die conform de toepasselijke standaarden is vormgegeven en van de benodigde annotaties en digitale werkingsgebieden is voorzien.
De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De weging heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het projectgebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit.
Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen. We maken onderscheid in de volgende drie resultaten van de weging van het waterbelang:
In de toelichting op de omgevingsplanwijziging moet een stapsgewijze benadering van het huidige en toekomstige watersysteem worden opgenomen. Deze bestaat uit de volgende stappen:
Quickscan water
Door Ortageo Nederland B.V. is een doorlatendheidsonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 11). Als verdere uitwerking hierop is door Buro Ontwerp & Omgeving een quickscan water uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 12 bijgevoegd. Hieronder volgt kort de samenvatting van het onderzoek.
Gezien de resultaten van onderhavige analyse zijn er enkele aandachtspunten voor de waterhuishouding in het projectgebied:
Waterhuishoudkundig plan
Door Buro Ontwerp & Omgeving is een waterhuishoudkundig plan voor de planontwikkeling opgesteld. Het rapport is als Bijlage 12 bijgevoegd. Hierbij is gebruik gemaakt van het uitgewerkte schetsontwerp uit het stedenbouwkundig plan (zie Bijlage 2).
Toekomstige situatie
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van circa 250 woningen, inclusief de bijbehorende infrastructuur, groenstroken en waterberging. Hierbij zal het centraal in het gebied gelegen adres Beggelderdijk 44/44a ingepast worden.
Waterhuishoudkundige consequenties en uitgangspunten
Uitgangspunten
Uitgangspunten bij het bepalen van de toename aan verharding zijn:
In de toekomstige situatie zal de verharding op basis van het ontwerp circa 60.820 m2 betreffen, zie onderstaande tabel. Hieruit blijkt dat verharding met circa 54.600 m2 toeneemt, ten opzichte van de huidige situatie.
Tabel overzicht verhard/onverhard oppervlak toekomstige situatie projectgebied
Aanlegpeilen
Op basis van de (beperkte) gegevens van grondwaterstanden is een GHG van circa 16,3 m +NAP aangehouden voor het projectgebied. Op basis van deze GHG en de eisen voor ontwatering van de gemeente Aalten dienen de wegen op circa 17,1 m + NAP gerealiseerd te worden. Om bij hevige regenval geen wateroverlast te krijgen zal het vloerpeil van de woningen op circa 17,3 m +NAP gerealiseerd te worden.
Gezien de huidige maaiveldhoogtes, tussen de circa 16,6 en plaatselijk maximaal 17,5 m +NAP, dient in delen van het projectgebied het maaiveld opgehoogd te worden, ter plaatse van de infrastructuur of de woningen.
Alhoewel de aangrenzende (bebouwde) percelen gelijk of hoger liggen, wordt aanbevolen om langs deze aangrenzende percelen een zaksloot aan te leggen. Deze zaksloot vangt het afstromend water uit het projectgebied of, afhankelijk van de maaiveldhoogte, vanaf het aangrenzende perceel op, zodat dit niet op het aangrenzende perceel afwatert.
Hemelwater
Hemelwater van openbaar gebied en particuliere percelen wordt, zoveel als mogelijk, oppervlakkig via de wegen afgevoerd naar de te realiseren hemelwaterbergingen. Daar waar bovengrondse afvoer niet mogelijk is worden kolken en leidingen aangebracht welke het hemelwater naar de dichtstbijzijnde wadi afvoeren. Ook onder de parkeerplaatsen en de achterpaden zullen kolken en IT leidingen aangebracht worden.
Voor deze berging zijn in totaal 11 wadi’s voorzien, evenals 3 zakgreppels. De totale (statische) berging in dit hemelwatersysteem bedraagt circa 5.840 m3. Conform het beleid van de gemeente Aalten zal er op de particuliere percelen een totale berging van circa 1.390 m3 plaats moeten vinden.
De bergingscapaciteit in de openbare ruimte (totaal circa 5.410 m3) voldoet ruimschoots aan de bergingsopgave (circa 4.860 m3). Naast berging in de openbare ruimte, zal er berging gerealiseerd moeten worden op de particuliere percelen. Op basis van het beleid van de gemeente Aalten (40 mm per m2 verharding) zal er in totaal circa 1.410 m3 bergingscapaciteit op de particuliere percelen gerealiseerd moeten worden.
Navolgende tabel geeft de benodigde en aanwezige bergingscapaciteit weer in het projectgebied.
Tabel benodigde en aanwezige bergingscapaciteit
Vuilwater
Door de realisatie van de wijk bedraagt de verwachtte toename van de DWA piekbelasting circa 7,5 m³/uur. Voor de inzameling van de DWA zal, centraal in de wijk, een rioolgemaal gerealiseerd moeten worden. Van hieruit zal, middels een persleiding, het rioolwater afgevoerd worden naar de RWZI in het zuiden van Dinxperlo. Binnen de nieuwe wijk zal transport van DWA plaatsvinden onder vrij verval.
Aandachtspunten
Op basis van het waterhuishoudkundig plan dient rekening te worden gehouden met de volgende aandachtspunten:
Aan de hand van de gegevens uit onderhavige rapportage en de beslissingen welke op basis hiervan worden genomen dient het watersysteem verder te worden gedimensioneerd en civieltechnisch te worden uitgewerkt.
Overleg waterschap
In januari 2025 is contact gezocht met Waterschap Rijn & IJssel. Hierdoor heeft er een gesprek plaatsgevonden op 29 januari 2025 tussen het waterschap en Buro Ontwerp & Omgeving. Het eerste voorlopige schetsontwerp is toegestuurd, waarin is aangegeven dat rekening is gehouden met een 80 mm bui. Vervolgens zijn diverse aspecten (waterberging, grondwater, afvalwater en wateroverlast) besproken die tot de waterbelangen behoren.
Op 21 februari 2025 is er door het waterschap een overzicht gemaakt van de relevante waterbelangen en hun uitgangspunten. Daarnaast is er door het waterschap geadviseerd ten aanzien van de afwatering van het plan op de bestaande leggerwatergangen. Hierbij zijn in de nabijheid van het projectgebied twee waterlopen, waarop het hemelwater vertraagd kan afvoeren. De watergang ten westen van de Beggelderdijk, met leidingvakcode LV 54150101, is hiervoor het meest geschikt, omdat deze nu ook de afwatering van het gebied verzorgt. Deze watergang heeft een bodembreedte van 0,70m en een afvoer van 25,7 l/s. Het uitgangspunt voor de afvoer naar deze watergang is max 1,6l/s/ha bij bui T100+10%.
Vervolgens is op 14 april 2025 afstemming met het waterschap geweest over directe aansluitingen van afvalwater op onze zuiveringstechnische werken. De wens van het waterschap is wel om vooraf samen met de gemeente Aalten af te stemmen hoe dit project zich verhoudt tot verdere toekomstige ontwikkelingen in Dinxperlo en wat dat zou kunnen betekenen voor de huidige en toekomstige afvalwaterstructuur. Daarbij wordt ook aandacht gevraagd voor het verder verminderen van de afvoer van regenwater vanuit bestaand gebied naar de RWZI.
De gewenste afstemming tussen het waterschap, gemeente Aalten, initiatiefnemer, Buro Ontwerp en Omgeving en de civielkundige specialist zorgt ervoor dat voor de voorgenomen planontwikkeling verder bepaald kan worden wat nodig is en wat mogelijk is.
Digitale Watertoets
Voor het doorlopen van de Digitale Watertoets gebruikt het waterschap de website www.hetwateradvies.nl. Het waterschap kijkt, op basis van de antwoorden die op de website worden ingevuld, of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies.
Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het initiatief relevant zijn. Voor dit initiatief is op 25 maart 2024 de Digitale Watertoets doorlopen. Deze is als Bijlage 14 bijgevoegd. Ten aanzien van wateradvies geldt er voor het initiatief een normale procedure.
Het aspect water vormt geen belemmering voor uitvoering van het initiatief.
Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken.
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:
De gemeente Aalten heeft haar archeologiebeleid vastgelegd in het rapport 'Cultuurhistorische inventarisatie, waarden-, verwachtingen- en maatregelenkaart als basis voor het archeologiebeleid van de gemeente Aalten'. De gemeentelijke archeologische verwachtingenkaart bevat vastgestelde archeologische waarden en verwachte archeologische waarden. Binnen het grondgebied van Aalten worden op de kaart drie archeologische verwachtingcategorieën onderscheiden op grond van verwachte dichtheid aan archeologische sporen en vondsten. In navolgende kaart is het projectgebied globaal met een rode omlijning aangeduid.
Archeologische verwachtingenkaart gemeente Aalten
Archeologische bescherming zorgt ervoor dat archeologische waarden van gronden worden behouden en beschermd. In de regels horende bij het 'Omgevingsplan gemeente Aalten' wordt de bescherming en het gebruik verder geregeld. Het projectgebied heeft de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie lage verwachting' en 'Waarde - Archeologie hoge verwachting'. De voor deze archeologische dubbelbestemmingen aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Hierin is de regel bepaald dat ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie lage verwachting' bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 5.000 m2 of bodemingrepen dieper dan 0,5 m -mv over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 de aanvrager een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' geldt het eerder benoemde bij een bouwwerk groter dan 500 m2 of bodemingrepen dieper dan 0,4 m -mv over een oppervlakte van meer dan 500 m2.
Voorliggend initiatief voorziet in de woningbouw van circa 250 woningen ten westen van de kern Dinxperlo. Ten aanzien van de voorgenomen planontwikkeling is door Hamaland Advies een bureauonderzoek, verkennend en karterend booronderzoek archeologie uitgevoerd. De rapportage is als Bijlage 15 bijgevoegd. Hieronder worden de relevante onderdelen van dit onderzoek voor de voorgenomen ontwikkeling behandeld.
Bureauonderzoek
Het projectgebied ligt in een gebied van dekzandwelvingen met oud-bouwlanddek, waarbinnen op basis van het AHN vijf dekzandkopjes onderscheiden kunnen worden. In het projectgebied komen zowel laarpodzolgronden als vlakvaaggronden voor.
Uit de geraadpleegde historische kaarten blijkt dat het grootste deel van het projectgebied altijd in gebruik geweest is als bouwland, weiland en (elzen)bos. Langs de centraal-westelijke grens heeft tot circa 1900 boerderij de Grote Reehorst (eerste vermelding 1437) gestaan. Vanaf dat punt staat een nieuwe boerderij met deze naam in het centrale deel van het projectgebied (huidige Beggelderdijk 44). In de noordwestelijke hoek heeft tot circa 1828 bebouwing gestaan, waarvan op één locatie op de kaarten tussen 1900 en 1953 eveneens bebouwing staat. De huidige situatie is vanaf 1975 op de kaart zichtbaar, maar zal volgens gegevens uit het BAG-register in 1972 ontstaan zijn.
Vanwege het voorkomen van dekzandkopjes kunnen archeologische resten vanaf het Late Neolithicum niet op voorhand uitgesloten worden. De verwachting voor sporen en vondsten vanaf de Late Middeleeuwen wordt hoog geacht in het westelijk deel van het projectgebied, gegeven het voorkomen van meerdere historische boerderijen (kaart 1811-1832). De grootste, en mogelijk ook oudste daarvan, is de (Grote) Reehorst, waarvan de oudste vermelding uit 1437 stamt. Gezien de gegevens uit het historisch cartografisch onderzoek, is de trefkans op vondsten en sporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd hoog. Buiten de boerderijlocaties zullen deze eerder verband houden met de agrarische functie die het gebied had en de toegang daartoe, zoals zandpaden, wegen, ontginningspatronen en kavelsloten etc. Vanwege zware gevechten in en rond het projectgebied in de Tweede Wereldoorlog kunnen eventuele relicten uit deze periode eveneens verwacht worden in het projectgebied.
Verkennend Booronderzoek
Op basis van de resultaten van het booronderzoek is de bodemopbouw in het projectgebied grotendeels verstoord tot in het dekzand. Er zijn tijdens het verkennend booronderzoek geen intacte podzolbodems, archeologische lagen of bodemvorming als gevolg van menselijk handelen in het verleden aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. De archeologische verwachting kan voor het hele projectgebied bijgesteld worden naar laag voor alle perioden.
Karterend Booronderzoek
Ter plaatse van het zuidelijk gelegen historisch erf (boring 1-7) en het centraal aan de westzijde van het projectgebied gelegen historisch erf (boring 8-14) is sprake van puinrijke ophogingslagen met kalkmortel, houtskool en houtresten. Tevens is in boring 8 een bakstenen fundering aangeboord. De puinrijke ophogingslagen bevinden zich direct onder de bouwvoor vanaf circa 30 cm-mv tot in de top van het dekzand (maximale diepte 150 cm-mv). Ter plaatse van het meest noordelijk gelegen historisch erf (boring 15-21) zijn geen puin of funderingsresten aangetroffen die de aanwezigheid van het historische erf kunnen bevestigen.
Selectieadvies
Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek wordt de kans dat bij de beoogde bodemingrepen archeologische resten verstoord worden laag ingeschat. Hamaland Advies adviseert het projectgebied vrij te geven met uitzondering van de zuidelijk in het projectgebied gelegen historische erflocatie en de centraal in het westen van het projectgebied gelegen historische erflocatie.
Vervolgonderzoek wordt noodzakelijk geacht voor de locatie van het zuidelijk gelegen erf en het centraal gelegen erf (locatie boring 1-7 en boring 8-14). Dit kan het beste worden uitgevoerd door het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek om de begrenzing, omvang, datering en behoudenswaardigheid van de resten te bepalen. Voorafgaand aan het gravend onderzoek is een Programma van Eisen nodig dat getoetst zal worden door het bevoegd gezag. Indien de historische erflocaties (boring 1-14) in situ behouden blijven door ze niet te ontwikkelen of te bebouwen, wordt vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht.
Initiatiefnemer heeft aangegeven dat ter plaatse van de boringen 1-7 geen woningen worden gerealiseerd en dat daar dus ook geen grondverzet plaatsvindt, waardoor de resten in situ behouden kunnen blijven. Bij de boringen 8-14 overweegt de initiatiefnemer om het plan aan te passen zodat ook daar de archeologie ongeroerd kan blijven (behoud in situ).
Het bestaande terrein binnen het projectgebied heeft geen specifieke cultuurhistorische waarde. Het voorgenomen initiatief heeft eveneens geen negatief effect op eventuele cultuurhistorische waardevolle elementen in de omgeving. Om deze reden is verdere toetsing aan het aspect cultuurhistorie niet noodzakelijk.
Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het initiatief.
Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog. Van al het explosieve materiaal dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) is ingezet, verschoten of afgeworpen, is een gedeelte om verschillende redenen niet tot uitwerking gekomen of gebracht.
In Nederland kennen we geen wet- en regelgeving of landelijk beleid dat richting geeft aan de omgang met risico's/gevaren van Ontplofbare Oorlogsresten, tenminste waar het gaat om publieke risico's (dus anders dan het arbeidsomstandighedenrisico). Er is dus geen sprake van landelijke risiconormen over welke risico's/gevaren van Ontplofbare Oorlogsresten al dan niet aanvaardbaar zijn. Dit betekent dat het lokaal bevoegd gezag een eigen afweging moet maken op grond van haar verantwoordelijkheid voor de openbare veiligheid over de acceptatie van risico's/gevaren van Ontplofbare Oorlogsresten.
De gemeente Aalten heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens dit vooronderzoek van AVG met kenmerk 1962203-VO-02, blijkt dat het gehele projectgebied is van Ontplofbare Oorlogsresten, zijnde geschutmunitie, afwerpmunitie en raketten. De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-bodembelastingkaart van de gemeente Aalten, waarop te zien is dat het projectgebied drie verschillende verdachte locaties bevat.
Detectiegebied (blauw omlijnd) op de Bodembelastingkaart van het vooronderzoek OO van de gemeente Aalten
Door ECG is een detectieonderzoek Ontplofbare Oorlogsresten uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 16. Hieronder worden de conclusies van dit onderzoek kort behandeld.
Naar aanleiding van voorgenomen gebiedsontwikkelingen binnen het verdachte gebied, is door ECG een opsporingsproces in de vorm van een detectie- en benaderonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is verricht om ervoor te zorgen dat de voorgenomen bodemroerende werkzaamheden vanuit het oogpunt van explosieven op veilige wijze kunnen worden uitgevoerd. Op 12, 13 en 14 november 2024 is het projectgebied (deels) gedetecteerd. Hierbij werden significante objecten geïnterpreteerd op basis van de meetdata. Er zijn 895 significante objecten naar voren gekomen welke voldoen aan het zoekdoel conform het vooronderzoek van de gemeente Aalten. ECG adviseert om deze objecten te benaderen en wanneer mogelijk te verwijderen uit de bodem.
Tijdens de uitvoering van de detectiewerkzaamheden zijn geen significante afwijkingen geconstateerd ten opzichte van het projectplan 'Explosive Clearance Group, Projectplan detectiewerkzaamheden naar ontplofbare oorlogsresten binnen het opsporingsgebied ''t Beggelder te Dinxperlo', kenmerk: 127-024-PP-01, d.d. 24 september 2024'.
Na het afronden van het vervolgonderzoek kan het onderzochte gebied geheel worden vrijgegeven van de aanwezigheid van de verwachte soorten Ontplofbare Oorlogsresten.
Het aspect Ontplofbare Oorlogsresten vormt geen belemmering voor uitvoering van het initiatief.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren.
In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom).
Wel kan een verandering van functies zorgen voor een verkeersaantrekkende werking. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente Aalten heeft parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.
Verkeer
Verkeersgeneratie
De voorgenomen planontwikkeling zorgt voor een toename van circa 250 woningen in het projectgebied. Dit zorgt ook voor een gewijzigde verkeersstructuur en een toename in de verkeersgeneratie. Door Roelofs is een verkeersonderzoek uitgevoerd naar de verkeersproductie en -attractie, alsmede de vraag hoe de verkeersontsluiting van de voorgenomen ontwikkeling (veilig) vormgegeven kan worden. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 17.
Ten aanzien van de bestaande situatie in het projectgebied kan benoemd worden dat het aantal woningen heel laag is, waardoor de verkeersbewegingen nihil zijn (<50 mvt/etm). Het aantal verkeersbewegingen in de bestaande situatie valt binnen de onzekerheidsmarges. Om deze reden worden de verkeersbewegingen niet meegenomen in de berekening.
Ten aanzien van de toekomstige situatie in het projectgebied is uitgegaan van een woningbouwontwikkeling van 260 woningen (worst case). De nieuwe ontwikkeling zal voor circa 1.936 mvt/etmaal zorgen. Dit verkeer dient verwerkt te worden door de wegen in de omgeving.
Er is berekend dat de nieuwe ontwikkelingen circa 1.936 mvt/etmaal gaat genereren. Waarbij het verkeer zich zal verspreiden over het bestaande wegennetwerk. Navolgende afbeelding laat de verkeersverdeling zien in de nabije omgeving van het projectgebied.
Verkeersbewegingen motorvoertuigen toekomstige situatie
Verkeersontsluiting
In de toekomstige situatie wordt het projectgebied ontsloten via twee kanten. Er is een noordelijke hoofdontsluiting aan de Beggelderdijk en een tweetal ontsluitingen aan de westzijde aan de Beggelderdijk. Ten aanzien van langzaam verkeer (voetgangers en fietsers) zijn ook diverse nieuwe verbindingen aanwezig met de bestaande woonwijk aan de oostzijde van het projectgebied. De bestaande wegen rondom het projectgebied blijven bestaan. In het stedenbouwkundig plan (zie Bijlage 2) is ook de verkeersontsluiting voor de toekomstige situatie in het projectgebied weergegeven.
Gekeken naar de inrichting en de toename in intensiteit zijn de wegen voldoende toekomstbestendig om deze capaciteit te kunnen verwerken. Aan de hand van Harders en de Meerstrooksrotondeverkenner is berekend dat de kruispunten voldoende capaciteit hebben om de extra intensiteit aankunnen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de het huidige wegennetwerk de toename in intensiteit kan verwerken. Navolgende afbeelding laat de omliggende kruispunten van het projectgebied zien.
Omliggende kruispunten projectgebied
Parkeren
Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Om de parkeerbehoefte te bepalen, is gebruik gemaakt van de kengetallen van de Beleidsregel parkeernormen van de gemeente Aalten. Op basis van de parkeervelden aangeduid op het kaartbeeld op de navolgende afbeelding is een overzicht van het parkeren in het projectgebied zichtbaar gemaakt in combinatie met een opgestelde parkeerbalans, welke is opgenomen in het stedenbouwkundig plan (zie Bijlage 2). Auto's zijn ondergeschikt in het straatbeeld en parkeren wordt geclusterd. Waar mogelijk wordt parkeren op eigen erf voorzien (bij voorkeur twee parkeerplaatsen naast elkaar).
De flexibiliteit van de inrichting van de woonstraten maakt dat er voldoende parkeerplaatsen in het plan aanwezig zijn. Dit maakt dat er in de verdere ontwikkeling van het plan nog ruimte is om veranderingen op te nemen. Parkeren wordt in het projectgebied gerealiseerd door haaksparkeren, langsparkeren en parkeren op eigen terrein.
Er wordt voorzien in 460 parkeerplaatsen. De parkeernormen van de gemeente Aalten worden gehanteerd en binnen de planopzet is er sprake van een kloppende parkeerbalans. Zie hiervoor ook het stedenbouwkundig plan, opgenomen als Bijlage 2. Om die reden zal het initiatief geen invloed hebben op de parkeerdruk in de omgeving.
De aspecten mobiliteit en parkeren vormen geen belemmering voor uitvoering van het initiatief.
Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen ‘voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige’ objecten, zoals woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van (fruit)bomen wordt in de bestemmingsplanpraktijk als vuistregel een afstand van 50 m gehanteerd tussen een fruitboomgaard en een gevoelige functie. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel.
Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen. Woningen en bijbehorende tuinen worden als zodanig aangemerkt. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de teler niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de (bedrijfs)woning. De 50 meter afstand is echter een indicatieve afstand en hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Drift in bijvoorbeeld de fruitteelt is door de aard van de bespuiting, met name op- en zijwaarts gericht spuiten, hoger en intensiever dan bij bespuitingen in de lage bomenteelt.
Een kortere afstand kan aanvaardbaar zijn, mits in een locatiespecifiek onderzoek is gemotiveerd dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen.
De locatie van het projectgebied grenst aan diverse gronden met de bestemming 'Agrarisch'. Enerzijds zijn deze agrarische gronden gelegen binnen de gemeente Aalten (noordoostzijde en zuidzijde) en anderzijds binnen de gemeente Oude IJsselstreek (noordwestzijde en westzijde). Door Buro Ontwerp & Omgeving is een memo opgesteld voor een advies ten aanzien van spuitzonering (zie Bijlage 18). Het memo is inhoudelijk ondersteund door een notitie van Adromi B.V. over het "gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen". Deze notitie is bijgevoegd bij het memo.
Met het memo wordt in de vorm van een locatiespecifiek onderzoek gemotiveerd dat een kortere afstand, dan de benoemde 50 meter, tussen het projectgebied en de bestaande omliggende agrarische gronden aanvaardbaar is, zodat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de toekomstige gevoelige functies (woningen en tuinen) in het projectgebied. Hierbij zijn de huidige bedrijfsbeperkingen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van agrariërs (ten aanzien van bestaande gevoelige functies) benoemd en zijn diverse voorzorgmaatregelen in relatie tot het stedenbouwkundig plan in een eerste vorm uitgewerkt.
Het aspect spuitzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.
Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van planologisch relevante kabels en leidingen.
In en rondom het projectgebied zijn geen kabels en leidingen gelegen, die een juridisch- planologische bescherming genieten. Het projectgebied valt niet samen met een zakelijk rechtstrook of een toetsingszone van een leiding, lijn of straalverbinding - gemeten uit het hart van een kabel, leiding of verbinding.
De aspecten kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.
Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt:
Het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten).
Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip.
In dit gedeelte worden regels over mba's bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 22.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 22.3 is getiteld 'Milieubelastende activiteiten' en bevat gemeentelijke regels over mba's. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van 'activiteiten'. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee 'milieubelastende activiteiten' worden bedoeld.
Het voorgenomen initiatief voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het initiatief richt zich voornamelijk op de functie wonen binnen een omgeving waar in de nabijheid de functie wonen de boventoon voert. Daarbij worden kleinschalige bedrijfsfuncties toegestaan door het toestaan van bedrijven/beroepen aan huis. Dit is echter tevens passend binnen de functie wonen en een omgeving waar de functie wonen de boventoon voert. Deze activiteiten zullen bovendien niet tot nauwelijks milieubelastend zijn.
Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor uitvoering van het initiatief.
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven.
De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan:
In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten.
Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.
De beoogde ontwikkeling is te categoriseren als een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen', zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het Ob. Er is door Buro Ontwerp en Omgeving een project-m.e.r.-beoordeling gemaakt, deze is toegevoegd als Bijlage 19. Op grond van de beoordeling kan geconcludeerd worden dat mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het initiatief kunnen worden uitgesloten.
Voor het initiatief hoeft geen m.e.r.-procedure te worden doorlopen.
De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:
Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);
Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).
Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.
Gelet op de aard en schaal van het initiatief zullen er geen aspecten worden geraakt die rondom het thema gezondheid belangrijk zijn. Gelet op de overige omgevingsaspecten is er sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.
De voorgenomen ontwikkeling wordt door de initiatiefnemer uitgevoerd, als eigenaar van de gronden ter plaatse van het projectgebied. Het kostenverhaal is verzekerd door een anterieure overeenkomst te sluiten tussen de initiatiefnemer en de gemeente Aalten, waarin ook nadeelcompensatie is opgenomen.
Er heeft vooroverleg plaatsgevonden met het Waterschap Rijn en IJssel, de provincie Gelderland, de gemeente Oude IJsselstreek en de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland (VNOG).
Waterschap Rijn en IJssel
Voor het vooroverleg met het waterschap wordt verwezen naar paragraaf 5.8.3.
Provincie Gelderland
Vooroverleg heeft met de provincie Gelderland plaatsgevonden. Uit het vooroverleg blijkt dat er rekening gehouden moet worden met een aantal provinciale belangen. De belangen ten aanzien van landschap, woningbouw, klimaatadaptatie en verkeer-mobiliteit moeten in acht worden genomen.
Voor landschap werd een onderbouwing gevraagd op welke manier rekening is gehouden met de aanwezige kernkwaliteiten en hoe deze worden geborgd c.q. versterkt met dit plan. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.2.3.
De provincie geeft aan dat het plan voldoet aan de woondeal/woonagenda, waardoor het plan voldoet aan de eisen behorende bij het belang van woningbouw.
Daarnaast geeft de gemeente aan dat het plan mooi rekening houdt met het belang van klimaatadaptatie. Tot slot werd er voor verkeer-mobiliteit aangegeven dat er in de verdere uitwerking van het plan een onderbouwing voor het aantal verkeersbewegingen noodzakelijk is. Een uitwerking van de onderbouwing hiervan is opgenomen in paragraaf 5.11.
Gemeente Oude IJsselstreek
De gemeente Oude IJsselstreek is betrokken geweest bij een vooroverleg, omdat het de buurgemeente betreft. In een brief geeft de gemeente aan dat ze het eens is met de woningbouwontwikkeling van de gemeente Aalten. Echter zullen er gesprekken plaats moeten vinden over de mogelijke problemen met betrekking tot netcongestie en energievoorzieningen.
VNOG
Vooroverleg heeft met de VNOG plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit overleg adviseert de VNOG het volgende:
De ruimtelijke uitwerking voor de calamiteitenroute, hulpdiensten en de begaanbaarheid van wegen heeft plaatsgevonden in diverse opgestelde stukken zoals het stedenbouwkundig plan (zie Bijlage 2) en rapportages ten behoeve van water (zie paragraaf 5.8).
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van het wijzigen van het omgevingsplan. Dit komt omdat een omgevingsplan niet alleen invloed heeft op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. In dit hoofdstuk zal hier verder op worden ingegaan.
Er hebben diverse participatiebijeenkomsten plaatsgevonden gedurende het ontwikkelingstraject voor de voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling in het projectgebied. Hierbij wordt verwezen naar het participatieverslag uit de Ontwikkelvisie (zie paragraaf 6.1 in Bijlage 1) en de informatiebijeenkomst over het stedenbouwkundig plan (d.d. 22 januari 2025). Tijdens de participatie zijn directe omwonenden en overige inwoners van Dinxperlo uitgenodigd om bij aanwezig te zijn zodat zij middels een inhoudelijke presentatie geïnformeerd konden worden over de (stedenbouwkundige) plannen. Daarnaast hebben er verschillende individuele gesprekken plaatsgevonden tussen initiatiefnemer en directe omwonenden om specifieke vragen, zorgen en opmerkingen aan te horen en mee te nemen in de verdere planuitwerking.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan.
Met het "TAM-omgevingsplan Woongebied 't Beggelder" wordt de ontwikkeling van het projectgebied mogelijk gemaakt. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het 'Omgevingsplan gemeente Aalten' is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO) op basis van de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro), maar inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.
Omgevingsplan
Op 1 januari 2024 is het 'Omgevingsplan gemeente Aalten' van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij de uitvoering van de Omgevingswet. Het bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wro gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO.
Werkingsgebied
De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op het werkingsgebied, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0197.TAM20240007-ON01, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In paragraaf 1.2 van deze motivering is een globale begrenzing van het werkingsgebied c.q. projectgebied opgenomen.
Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele projectgebied en bestaat uit:
Artikel 1 Toepassingsbereik: In dit artikel is opgenomen dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het 'Omgevingsplan gemeente Aalten' en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. Het artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn, indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM- omgevingsplan.
Artikel 2 Begrippen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen.
Artikel 3 Wijze van meten: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het projectgebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. In dit TAM-omgevingsplan zijn de functies 'Groen', 'Verkeer - Verblijfsgebied', 'Wonen' en 'Woongebied'. opgenomen. Navolgend worden de regels die zijn opgenomen voor deze functies nader toegelicht.
De gronden die zijn beoogd als groenvoorziening zijn aangewezen als 'Groen'. Aan deze gronden zijn de volgende functies toegekend: groenvoorzieningen en bermen, voet- en fietspaden, in- en uitritten, ontmoeting, bewegen en spelen met bijbehorende voorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding, buis- en kabelverbindingen voor riolering, nutsbedrijven en overeenkomstige doeleinden, een calamiteitenroute ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - calamiteitenroute' en behoud, herstel en ontwikkeling van bestaande bomenrijen ter plaatse van de aanduiding 'bomenrij'.
Binnen deze locaties zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de regels onder het artikel 'bouwactiviteiten'.
Verkeer - Verblijfsgebied (Artikel 5)
De locatie waar de hoofdontsluiting is voorzien, is aangewezen als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Aan deze gronden zijn de volgende functies toegekend: wegen met een ondergeschikte verkeersfunctie, voet- en fietspaden, in- en uitritten, bermen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, ontmoeting, bewegen en spelen met bijbehorende voorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding, buis- en kabelverbindingen voor riolering, nutsbedrijven en overeenkomstige doeleinden, beeldhouwwerken en daarmee gelijk te stellen kunstzinnige elementen.
Binnen deze locaties zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de regels onder het artikel 'bouwactiviteiten'.
De locaties van de bestaande woningen (en omliggende gronden) op de erven van Beggelderdijk 44/44a en Beggelderdijk 48 zijn aangewezen als 'Wonen'. Aan deze gronden zijn de volgende functies toegekend: wonen, tuinen en erven, aan huis verbonden beroepen/en of bedrijven, bed & breakfast, water en voorzieningen voor de waterhuishouding en bestaande paardenbakken.
Op de verbeelding zijn bouwvlakken opgenomen. Woningen zijn binnen het bouwvlak gelegen en per bouwvlak is aangegeven welke bouwvorm is toegestaan. De maximale goot- en bouwhoogte respectievelijk 3 meter en 11 meter, dan wel de bestaande maximale goot- en bouwhoogte.
Naast de woningen mogen tevens, onder voorwaarden, bijbehorende bouwwerken (bijvoorbeeld bijgebouwen) en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de regels onder het artikel 'bouwactiviteiten'. Verder is een aanduiding 'bijgebouwen' opgenomen.
De gronden die beoogd zijn voor meerdere activiteiten zijn aangewezen als 'Woongebied', waarop woningen (maximaal aantal is 260), tuinen en erven, woonstraten met een ondergeschikte verkeersfunctie, bermen, parkeervoorzieningen en voet- en fietspaden, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen e.d. zijn toegestaan.
Binnen deze functie zijn meerdere bouwvlakken opgenomen, waarbinnen specifiek (meerdere) bouwaanduidingen zijn toegestaan (vrijstaand, twee-aaneen, aaneengebouwd en gestapeld). De maximum toegestane goot- en bouwhoogte zijn opgenomen in de verbeelding behorende bij dit plan. Ook is op een aantal plaatsen in de verbeelding een aanduiding opgenomen ten aanzien van de gevellijn.
Naast de woningen mogen tevens, onder voorwaarden, bijbehorende bouwwerken (bijvoorbeeld bijgebouwen) en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de regels onder het artikel 'bouwactiviteiten'.
Binnen deze functie is de inhoud van het beeldkwaliteitplan (zie Bijlage 3) gekoppeld aan de uitwerking van diverse bouwaanduidingen, maximum toegestane goot- en bouwhoogte en maatvoeringseisen. Het beeldkwaliteitplan is hiervoor als een aparte bijlage opgenomen bij de regels, waardoor dit document op juridisch-planologische geborgd is.
Hoofdstuk 3 bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele projectgebied en zijn van algemene aard. Deze worden daarom niet nader toegelicht in deze paragraaf.
In Hoofdstuk 4 zijn regels opgenomen die als doel hebben om specifieke waarden in het projectgebied te beschermen. In voorliggend TAM-omgevingsplan gaat het om de waarden 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' en 'Waarde - Archeologie lage verwachting'.
Waarde - Archeologie hoge verwachting (Artikel 13)
De gronden zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie hoge verwachting'. Voor deze gronden geldt dat ze behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd zijn voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.
Waarde - Archeologie lage verwachting (Artikel 14)
De gronden zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie lage verwachting'. Voor deze gronden geldt dat ze behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd zijn voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.
In Hoofdstuk 5 staan de overgangsregels. In Artikel 15 is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met het omgevingsplan.