| Plan: | TAM-omgevingsplan Laakhaven Centraal |
|---|---|
| Status: | concept |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0518.TAMLaakCen-20CO |
De gemeente Den Haag wil het gebied Laakhaven Centraal ten zuiden van station Hollands Spoor integraal herontwikkelen. De herontwikkeling bevat onder andere het toevoegen van woningbouw, kantoren en commerciële en maatschappelijke voorzieningen en een herinrichting van de openbare ruimte, onder andere door het toevoegen van een park. De ontwikkeling Laakhaven Centraal maakt onderdeel uit van de gebiedsontwikkeling Laakhavens Hollands Spoor, één van de gebiedsontwikkelingen in het Central Innovation District (CID).
Het geldende omgevingsplan van rechtswege biedt geen mogelijkheid dit project te realiseren. Om dit plan juridisch-planologisch mogelijk te maken, is dit TAM-Omgevingsplan opgesteld. Voorliggende ruimtelijke motivering bevat de toelichting voor de benodigde wijziging van het omgevingsplan en vormt de onderbouwing van het besluit. Gemotiveerd wordt dat met deze wijziging tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt gekomen.
Het doel van TAM-Omgevingsplan Laakhaven Centraal is het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling van Laakhaven Centraal binnen het plangebied conform de kaders van het Toekomstplan Laakhavens Hollands Spoor.
Laakhavens Hollands Spoor transformeert de komende jaren naar een nieuw hoogstedelijk, groene stadswijk. Hierbij wordt ingezet op de transitie naar een gemengd woon- en werkmilieu met woningen, bedrijvigheid en maatschappelijke voorzieningen welke voorziet in een deel van de groeiopgave van Den Haag. Daarnaast is aandacht voor duurzame gebiedsontwikkeling, waarbij ingezet wordt op duurzame mobiliteit (STOMP), duurzame energiesystemen (met onder andere een collectie warmtesysteem) en het vergroenen van Laakhavens Hollands Spoor (met onder andere twee parken, Park Laakhaven Centraal en Campus Haagse Hogeschool) voor een gezonde, natuurinclusieve en klimaatbestendige leefomgeving.
Het plangebied ligt in het stadsdeel Laak van de gemeente Den Haag. Het plangebied ligt direct ten zuiden van de spoorlijn Den Haag-Rotterdam en wordt begrensd door de Waldorpstraat, het Leeghwaterplein, de Verheeskade en de Calandstraat. Het plangebied omvat o.a. de het winkelcentrum de MegaStores, het Taalplein (deels), Leeghwaterplein het bedrijventerrein. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied opgenomen.
Afbeelding 1.1: Ligging plangebied
Het TAM-Omgevingsplan vervangt (gedeeltelijk) de volgende bestemmingsplannen:
Op het bestemmingsplan ‘Laakhavens’ heeft de Provincie Zuid-Holland een reactieve aanwijzing gegeven, waardoor onderdelen van de planregels met betrekking tot (perifere) detailhandel geen onderdeel meer uitmaken van het bestemmingsplan. Een overzicht van de huidige bestemmingen is hieronder op afbeelding 1.2 aangegeven.
Afbeelding 1.2 Uitsnede bestemmingen en geldende bestemmingen (bron Atlas voor de leefomgeving)
Voor het plangebied gelden tevens de volgende parapluplannen:
- Parapluherziening (fiets)parkeren (vastgesteld: 20-09-2018)
- Parapluherziening Flitsbezorging (vastgesteld 01-12-2022)
Het plan voor de ontwikkeling van Laakhaven Centraal is strijdig met de vigerende bestemmingsplannen. Om de beoogde ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken wordt het voorliggende TAM-Omgevingsplan opgesteld.
In hoofdstuk 2 is de bestaande situatie beschreven. In hoofdstuk 3 is ingegaan op het relevante rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 is een uitgebreide beschrijving van de ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 5 is ingegaan op het MER en is de ontwikkeling getoetst aan relevante milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 6 gaat in op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid. Ten slotte zijn in hoofdstuk 7 de juridische aspecten nader toegelicht.
Het plangebied is gelegen in Laakhavens en maakt onderdeel uit van het Central Innovation District (CID). Het CID is een stedelijk ontwikkelingsgebied in Den Haag, dat zich richt op innovatie, wonen, werken en duurzame stedelijke groei. Het gebied ligt tussen de drie grote stations van de stad: Den Haag Centraal, Den Haag Hollands Spoor en Den Haag Laan van NOI. Het CID karakteriseert zich als een innovatief en bedrijvig kennisecosysteem. Een belangrijk deel van de woningbouwopgave van Den Haag zal in het CID landen. De stationsomgevingen zijn belangrijke economische brandpunten met de hoogste bebouwingsdichtheden.
In 1840 kreeg Den Haag een station aan de nieuwe spoorlijn tussen Rotterdam en Amsterdam. Rond 1900 werd de Haagse haven gegraven en transformeerde de polder naar een industriegebied. Tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft het plangebied gefunctioneerd als een belangrijk 'binnenstedelijk' bedrijventerrein. In de jaren negentig is de havenarm van Laakhaven Centraal gedempt en deed grootschalige detailhandel zijn intrede. Grootschalige en grove bouwvolumes zoals het Gamma-blok, het Praxisblok en de Megastores domineren het ruimtelijke beeld. Rond de eeuwwisseling begon de sprong van het centrum over het spoor. Met de komst van de Haagse Hogeschool in 1996 werd een eerste begin gemaakt naar een omvangrijke transformatie van het gebied waarin onderwijs, wonen en kantoren een prominente plaats kregen.
In het plangebied zelf bevinden zich geen specifieke cultuurhistorische waarden die beschermd dienen te worden. Het nabijgelegen station Hollands Spoor is een rijksmonument, evenals het Stationspostkantoor.
De ontwikkeling van het CID bouwt voort op de bestaande stedelijke gridstructuur van Den Haag. Deze lange lijnen, van parallel aan en haaks op de kust, zijn de bestaande ruimtelijke dragers van de stad. Hieraan liggen grootschalige bouwvolumes. De Waldorpstraat is één van die lange lijnen die verschillende deelgebieden in het CID met elkaar verbindt. Het spoor verbindt Den Haag met Delft en Rotterdam, maar is op plaatselijk niveau ook een barrière.
Gemotoriseerd verkeer
Het plangebied is ontsloten met een aantal belangrijke ontsluitingswegen voor de auto: de Calandstraat, Waldorpstraat en het Leeghwaterplein. Via de Rijswijkseweg en het Schenkviaduct is Den Haag Centraal en de Utrechtsebaan (A12/A4) goed ontsloten. De Waldorpstraat, Verheeskade, Van der Kunststraat, Lulofsstraat zijn momenteel wijkontsluitingswegen en faciliteren het bestemmingsverkeer van en naar het gebied via de centrumring (Calandstraat, Neherkade), Leeghwaterplein en Rijswijkseweg. Ten behoeve van het plan Escher Gardens wordt de Waldorpstraat afgewaardeerd voor doorgaand gemotoriseerd verkeer.
Openbaar vervoer
Het plangebied is uitstekend ontsloten voor het openbaar vervoer. Het intercitystation Den Haag Hollands Spoor ligt direct naast het plangebied, en haltes voor tram en bus liggen binnen een paar minuten loopafstand zowel aan de centrumzijde van het spoor als aan de Laakhavenzijde.
Langzaam verkeer
De nabijgelegen Campus van de Haagse Hogeschool trekt veel voetgangers en fietsers. De Waldorpstraat maakt onderdeel uit van het netwerk van sterfietsroutes richting Rijswijk, Delft en Leiden. Onder het spoor gaat de stationstunnel voor langzaam verkeer richting de Stationsbuurt die weer aansluit op de Haagse loper voor de voetganger richting Centrum en op de hoofd- en sterfietsroutes aan de centrumzijde van het spoor.
Parkeren
Momenteel is op een deel van het plangebied openbaar parkeren (Kiss and Ride) toegestaan ten behoeve van het station. Op korte afstand ligt een commerciële parkeergarage (Q-park Laakhaven-HS).
In het plangebied zijn onder andere de MegaStores gelegen, een complex bestaande uit overwegend grootschalige winkelvoorzieningen, aangevuld met enige horeca en dienstverlening. De MegaStores is voorzien van eigen parkeervoorzieningen op het dak van het gebouw en op maaiveld. De bedrijven zijn geconcentreerd in Laakhaven Centraal tussen de Van der Kunstraat en de Verheeskade. De aard van de bedrijven loopt sterk uiteen.
De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door het intercitystation Hollands Spoor en de kantoorbebouwing ten noorden van het plangebied (Laakzijde), de Haagse Hogeschool ten oosten van het plangebied en de Gamma en eerder gerealiseerde bebouwing ten westen van het plangebied. Aan de overzijde van de Calandstraat is Laakhaven-West afgelopen jaren getransformeerd tot een stedelijk woongebied. In het plangebied zelf ligt o.a. de bebouwing van de Megastores (winkelcentrum) en bedrijven aan de Verheeskade, Van der Kunststraat, Lulofsstraat en Lobattostraat.
De Laakzijde entree van het station is recent getransformeerd tot een volwaardige tweede entree met een fietsenstalling op hoogte en op reizigers gerichte horeca. De vernieuwde entree is in 2020 opgeleverd. Het nabijgelegen monumentale Stationspostgebouw is verbouwd en dient als hoofdkantoor voor PostNL. In gebouw 'The Globe' komen verschillende functies samen waaronder kantoren, sportfaciliteiten en vergaderzalen. In 2022 is vergunning verleend voor de bouw van 'The Grace', een hoogbouwflat met ca. 1.411 woningen en voorzieningen in de plint. Daarnaast is recent het bestemmingsplan Escher Gardens onherroepelijk geworden. Met dit plan worden o.a. 1.250 woningen, 20.000 m² kantoorruimte en 3.000 m² publieksgerichte functies in de plint mogelijk gemaakt.
Het TAM-Omgevingsplan zoals dit voorligt, is vormgegeven aan de hand van de gestelde beleidsdoelen in en vanuit de Omgevingswet. Dit hoofdstuk beschrijft het relevante omgevingsbeleid van rijk, provincie en gemeente.
De Omgevingswet geeft de maatschappelijke doelen van de wet. Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
Hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels voor het omgevingsplan. Deze komen voort uit de beleidsdoelen van de Omgevingswet. Met een instructieregel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels:
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat onder meer regels ten aanzien van onderzoeksinspanningen die voor specifieke voorgenomen activiteiten verricht dienen te worden. De betreffende onderzoeken worden in hoofdstuk 5 van deze ruimtelijke motivering aangehaald.
Ook in de toekomst moet Nederland een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden en economisch kunnen floreren. Daarom is het van belang om inzicht te hebben in de opgaven waar Nederland voor staat. De druk op de ruimte, de leefomgeving, vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen. Ook internationale ontwikkelingen, de invloed van technologie en de groeiende verschillen tussen regio's vragen om snellere, creatieve en integrale afwegingen. Het klimaat verandert en er moet zorgvuldiger worden omgaan met energiebronnen en grondstoffen. Ook daaruit vloeien nieuwe opgaven. In aanloop naar de Omgevingswet is er één Rijksvisie op de leefomgeving opgesteld: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De eerste Nationale Omgevingsvisie is in september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt op nationaal niveau de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR) en de strategische ruimtelijke delen van het verkeers- en vervoerplan, het nationale waterplan, de natuurvisie en het milieubeleidsplan. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de NOVI als nationale visie onder de Omgevingswet.
Laakhaven Centraal sluit aan op meerdere in de NOVI aangekaarte prioriteiten, opgaven en nationale belangen: nationale belangen gericht op het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit en het zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Hiermee wordt bijgedragen aan de prioriteit om te voorzien in sterke en gezonde steden en regio’s.
Conclusie
Door de herontwikkeling van Laakhaven Centraal tot gemengd woon-werkgebied door gebruik te maken van onder andere verdichting ontstaat op een goed bereikbare locatie een aantrekkelijke omgeving om in te wonen en verblijven. De beoogde ontwikkeling past binnen de doelstellingen van de NOVI.
Op 1 juli 2025 is de Omgevingsvisie Zuid-Holland van de provincie Zuid-Holland in werking getreden. Deze bevat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland.
De omgevingsvisie schetst de beleidskaders; de strategische ambities, beleidsdoelen en -keuzes voor de toekomst van de fysieke leefomgeving van Zuid-Holland. In het omgevingsprogramma zijn deze nader uitgewerkt in maatregelen die de provincie treft. De omgevingsverordening stelt de juridische kaders; instructieregels voor andere overheden en direct werkende regels voor burgers en bedrijven.
De omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid voor de gehele fysieke leefomgeving van de provincie Zuid-Holland.
Naast de algemene sturingsfilosofie en een analyse van de huidige situatie van Zuid-Holland, schetst de provincie in de omgevingsvisie haar toekomstgerichte beleid in zeven provinciale vernieuwingsambities:
Deze zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in 18 beleidsdoelen, die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes.
Conclusie
Het planvoornemen zorg voor een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Naast de stations en binnenstedelijk, met een programma gericht op het realiseren van voldoende woningen en kansen voor de nieuwe economie. Met een buitenruimteplan dat zorgt voor meer klimaatadaptatie. De voorgenomen ontwikkeling past ook bij de andere ambities uit de provinciale omgevingsvisie. Het TAM-plan is daarmee in overeenstemming met het provinciale beleid, zoals verwoord in de Omgevingsvisie Zuid-Holland.
Op 1 juli 2025 is de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening inwerking getreden. De instructieregels in hoofdstuk 7 van de verordening hebben een directe doorwerking in omgevingsplannen en bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Deze verordening vertaalt het beleid uit de Omgevingsvisie in bindende regels over de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval:
De verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van de provincie en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften, zorgvuldig beheren, beschermen en ontwikkelen van de natuur, dierenwelzijn, behouden en herstellen van de biologische diversiteit, economische belangen, volksgezondheid en openbare veiligheid.
De volgende instructieregels zijn van toepassing op dit TAM-Omgevingsplan:
Conclusie
Hieronder is een toetsing van de relevante artikelen opgenomen.
Artikel 5.8 (omgevingswaarden kans op overstroming binnen de bebouwde kom)
In de omgevingsverordening is opgenomen dat voor het plangebied een overstromingskans van 1/100 per jaar geldt voor o.a. gebouwen. Volgens de Atlas Leefomgeving (2024) is de kans hierop klein (aangeduid als overstroomt niet). Het plangebied voldoet dus aan deze eis vanuit de omgevingsverordening.
Artikel 7.41a (risico’s van klimaatverandering)
In de omgevingsverordening is opgenomen dat bij ruimtelijke projecten rekening gehouden moet worden met de risico’s van klimaatverandering. Het TAM-omgevingsplan voldoet hieraan. De effecten van klimaatverandering zijn onderzocht en de resultaten van die onderzoeken zijn opgenomen in het MER-rapport (zie paragraaf 5.5).
Artikel 7.41aa (toekomstbestendig bouwen van woningen)
In de omgevingsverordening is opgenomen dat bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen van 12 of meer woningen toekomstbestendig bouwen betrokken moet worden. Het plan voldoet hieraan. Het onderzoek in het milieueffectrapport beschouwd de benoemde aspecten van toekomstbestendig bouwen in samenhang met elkaar. Deze informatie wordt betrokken bij de besluitvorming.
Artikel 7.44 (afgestemde regionale behoefte)
In de omgevingsverordening is opgenomen dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen regionaal afgestemd dienen te worden. Hier voldoet het project aan. Dit is nader gemotiveerd onder artikel 7.45.
Artikel 7.45 (ladder voor duurzame verstedelijking)
De ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik en in de genoemde artikelen wordt ingegaan op vragen of wordt voldaan aan een regionale behoefte en of deze behoefte wordt voldaan op beschikbare gronden binnen het bestaand stedelijk gebied. Voor wat betreft de ladder voor duurzame verstedelijking geldt dat het plan geheel binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Dit is nader onderbouwd in paragraaf 5.9.
Artikel 7.45b (dichtheid en verscheidenheid woningbouw)
De omgevingsverordening stelt dat voor een stedelijke ontwikkeling met de functie wonen een zo hoog mogelijke woningdichtheid nagestreefd wordt met gevarieerde woningtypen en dat de ontwikkeling bijdraagt aan een goede woon- en leefomgeving. Het plan streeft door middel van hoogbouw een zo hoog mogelijke woningdichtheid na. Met het plan worden gevarieerde woningtypen nagestreefd: sociale huur en middeldure huur (appartementen) en koopwoningen (appartementen). Zowel woningtypen als woningdichtheid worden geborgd door de regels van dit TAM-plan.
Artikel 7.45ca (kansen voor biodiversiteit)
n de omgevingsverordening is opgenomen dat een ruimtelijke ontwikkeling de mogelijkheden betrekt voor het bevorderen van de biologische diversiteit. In de huidige situatie is het plangebied volledig versteend met bestrating en bebouwing waardoor de biodiversiteitswaarde laag is. Met het plan komt meer groen in het plangebied, door de realisatie van een park, openbaar groen en daktuinen. Hier zijn kansen om de biodiversiteit in het plangebied te vergroten. Zie ook paragraaf 5.5.5.
Artikel 7.45e (parkeernorm stationsomgevingen)
Het plangebied maakt onderdeel uit van de stationsomgeving van station Hollands Spoor. De omgevingsverordening stelt dat de parkeernorm in het plangebied maximaal 0,7 autoparkeerplaats per woning is. Het plan voldoet aan de strengere parkeernorm van de gemeente van 0,15 autoparkeerplaats per woning, en daarmee ook aan de eisen vanuit de omgevingsverordening. Deze parkeernorm is vastgelegd in de regels van dit TAM-plan.
Artikel 7.45f (parkeernorm sociale huur)
De omgevingsverordening stelt dat de parkeernorm in het plangebied maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning is. Het plan voldoet aan de strengere parkeernorm van de gemeente van 0 autoparkeerplaats per woning, en daarmee ook aan de eisen vanuit de omgevingsverordening. Deze parkeernorm is vastgelegd in de regels van dit TAM-plan.
Artikel 7.45h (functiemenging en meervoudig ruimtegebruik)
De omgevingsverordening stelt dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor de functies wonen of bedrijven, rekening houdt met de mogelijkheden voor functiemenging en meervoudig ruimtegebruik. Hier voldoet het plan aan. In de plinten van de ontwikkelplots is ruimte voor diverse functies waaronder, bedrijven, commerciële functies, wonen en maatschappelijke voorzieningen. Boven de plint is ruimte voor de functie wonen. Hiermee voldoet het plan aan de eisen met betrekking tot functiemenging en meervoudig ruimtegebruik.
Artikel 7.51 (kantoren)
In de omgevingsverordening is opgenomen dat kantoren alleen mogelijk zijn in een van de aanwezen gebieden. Het plan maakt nieuwe kantoren mogelijk. Het plangebied valt geheel binnen het kantorengebied categorie 1, zoals aangeduid in bijlage II van de verordening. Het plan is daarmee in lijn met de gestelde eis.
Artikel 7.51b Bedrijven
In de omgevingsverordening is opgenomen dat een provinciaal aangewezen bedrijventerrein alleen mag transformeren als hierover regionale afspraken zijn gemaakt en gedeputeerde staten daarmee hebben ingestemd of die hebben vastgesteld. Het TAM-omgevingsplan maakt de transformatie van het provinciaal aangewezen bedrijventerrein Laakhavens mogelijk. Laakhavens is opgenomen in de door GS aanvaarde regionale bedrijventerreinenstrategie van de MRDH (Strategie Bedrijventerreinen Metropoolregio Rotterdam Den Haag 2023-2030, 11 september 2023) en kan als zodanig gebruik maken van het surplus aan aanbod in de regio. De inzet op de GAVI-kavel voor planologische compensatie is toegelicht in het Compensatieplan Laakhavens (RIS321166) en deze is regionaal afgestemd binnen de MRDH. Dit betreft 1,7 ha.
Artikel 7.47b (voldoende betaalbare woningbouw)
In de omgevingsverordening is de eis opgenomen dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in voldoende betaalbare woningbouw. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende betaalbare woningbouw. Het project voldoet hieraan door het realiseren van sociale huurwoningen en middeldure huur en koop appartementen. Voldoende betaalbare woningbouw is vastgelegd in de regels van dit TAM-plan.
Artikel 7.47a (voldoende sociale huurwoningen)
In de omgevingsverordening is de eis opgenomen dat minimaal 30% van alle woningen sociale huurwoningen zijn. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Voldoende sociale huurwoningen is vastgelegd in de regels van dit TAM-plan.
Artikel 7.48 (detailhandel)
In de omgevingsverordening is opgenomen dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling detailhandel mogelijk maakt in gebieden binnen of aansluitend aan bestaande winkelconcentraties. Het project maakt detailhandel mogelijk in een gebied waar reeds detailhandelsfuncties gevestigd en mogelijk zijn. Het project is daarmee in lijn met de gestelde eis. De behoefte aan deze detailhandelsfuncties is aangetoond bij het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking (zie paragraaf 5.9).
Conclusie
Het TAM-plan is in overeenstemming met het Zuid-Hollandse verordening.
De metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) heeft de taken overgenomen van het in 2015 opgeheven Stadsgewest Haaglanden. De MRDH is een samenwerkingsverband van 21 gemeenten die hun krachten bundelen om het gebied beter bereikbaar te maken en het economisch vestigingsklimaat te versterken.
De MRDH werkt vanuit de Strategische Agenda MRDH 2023-2026 Met elkaar, voor elkaar (verder: ‘Agenda’).
Volgens de Agenda zet de metropoolregio zich in voor vier regionale opgaven:
- groei van de regio;
- vernieuwen van de regio;
- kwaliteit van de regio;
- herstel van de regio.
De regio wil groeien en zorgen dat die groei wordt gefaciliteerd op een adequate en passende manier. Daarbij wordt gewerkt aan een betere bereikbaarheid met robuuste verbindingen en duurzame mobiliteit. En het economisch vestigingsklimaat versterkt. De economie ontwikkelt razendsnel. Innovaties en investeringen in nieuwe technologieën dragen bij aan de economische ontwikkeling. En verschuivingen naar actieve en/of collectieve mobiliteit zijn noodzakelijk voor een bereikbare, duurzame en leefbare regio. Dit kan als de ruimtelijke condities op orde zijn; schaarse ruimte moet beter benut door functiemenging. Het openbaar vervoer moet bij blijven dragen aan de brede welvaart in de regio.
Conclusie
Het plan zet in op verbetering van de (internationale) bereikbaarheid van de metropoolregio, economische vernieuwing, de transitie naar duurzaamheid en een attractieve regio door de realisatie van een hoog stedelijk duurzaam, goed bereikbaar woon-werkmilieu. Het plan is in overeenstemming met de Strategische Agenda MRDH 2023-2026 Met elkaar, voor elkaar.
De negen gemeenten in de regio Haaglanden vormen al jaren een gezamenlijke woningmarktregio. Na het opheffen van het Stadsgewest Haaglanden in 2014 is de samenwerking voortgezet middels een bestuurlijke tafel Wonen. Om de woningmarktregio verder te versterken is in 2017 een nieuwe een regionale woonvisie opgesteld voor de periode 2017 – 2021 (RIS 296460). Inmiddels heeft ook deze weer opvolgers en geldt nu de Regionale Realisatieagenda Wonen (regionale woondeal) van 2023 (RIS 314503).
Uitgaande van het actuele regionale woningbouwprogramma zijn in de regio Haaglanden circa bruto 74.500 woningen gepland tussen 2022 t/m 2030. Dit is ongeveer 8% van de totale Nederlandse woningbouwproductie en is vergelijkbaar met de netto 75.218 woningen (gepland tussen 2019 t/m 2029) opgenomen in het vastgestelde Tussenakkoord (december 2021). Een grote opgave met veel onzekerheid, waar samenwerking en sturing op de randvoorwaarden essentieel is om de ambitie te halen.
Voor de korte termijn wordt gekozen om de woningbouw vooral aan te jagen. Voor de termijn 2025-2030 wordt gekozen naar een toename van meer betaalbare woningen in Haaglanden. Het woningbouwprogramma van regio Haaglanden (stand 1 december 2022) voorziet in de bouw van totaal 74.445 woningen bruto (inclusief studentenwoningen). Netto gaat het om 71.288 woningen – dit betreft nieuwbouw minus geplande sloop. Het totale aandeel betaalbare woningen telt op tot 55% van het regionale woningbouwprogramma en het aandeel door corporaties telt op tot 27%. Er is bij de Realisatieagenda nog een verschil geconstateerd met de landelijke doelstelling van 66% (2/3) betaalbare woningen en 33% (1/3) gebouwd door woningcorporaties. Hiertoe is daarom een vervolgakkoord (‘Tussenakkoord’) gesloten met als doel het behoud en de verdere ontwikkeling van voldoende woningen, voldoende doelgroepvoorraad en een meer evenwichtige spreiding in de regio. Het tussenakkoord ‘Samenwerken aan een solide woningmarkt in Haaglanden 2021-2030 - de eerste stap’ omvat deze afspraken in de periode van 1 januari 2019 tot 1 januari 2030.
Conclusie
Het plan past binnen de ambities van de regionale woonvisie. Het plan heeft 70% betaalbare woningen, waarvan 30% sociale woningen. Deze percentages komen overeen met het gemeentelijk beleid, dat weer input is geweest voor de regionale afspraken. Het plan is hiermee in overeenstemming met de Regionale Realisatieagenda Wonen.
Den Haag wil in 2050 samen met haar omliggende gemeenten een groene metropool aan zee zijn. En tegelijkertijd een plek blijven waar mensen zich thuis voelen. Den Haag moet wel Den Haag blijven. In de Omgevingsvisie 2050 staat hoe de gemeente dit voor zich ziet en wat daarbij komt kijken. Den Haag zet drie maatschappelijke opgaven centraal:
1. Sociaal en economisch perspectief bieden
2. Groeien in balans
3. Werken aan transities in een tempo dat de stad aan kan en nodig is
In het Ambitiedocument Omgevingsvisie Den Haag 2050 zijn de ambities voor Den Haag in 2050 beschreven. Deze ambities vormen de beleidsmatige basis voor deze omgevingsvisie. Deze zes ambities zijn:
- Rechtvaardig en inclusief
- Betaalbare, toegankelijke en toekomstbestendige woningvoorraad
- Klimaatbestendig, klimaatneutraal en natuurinclusief
- Economisch vitaal
- Gezond en veilig
- Duurzaam bereikbaar.
Den Haag groeit uit tot een groene metropool aan zee waar mensen zich thuis kunnen voelen. Vijf bewegingen geven hier richting aan. Deze bewegingen zijn geen eindbeeld, maar bieden duidelijkheid over de koers die Den Haag wil varen en welke strategische keuzes nodig zijn om antwoord te geven op de drie grote maatschappelijke opgaven. Daarbij is aangegeven welk beleid wordt voortgezet (koers houden), waar de koers wordt aangepast (bijsturen) en voor welke ontwikkelingen een ander tempo nodig is (tempo aanpassen).
De vijf bewegingen zijn:
1. Thuis in een divers Den Haag
2. Ruimte voor groen en water
3. Verstedelijking en bereikbaarheid in samenhang
4. Ruimte voor kennis en kunde
5. Basissystemen op orde
Conclusie
Laakhaven Centraal past bij de beweging van verstedelijking en bereikbaarheid in samenhang. Laakhaven Centraal draagt dan ook bij aan een toekomstbestendige woonvoorraad, economisch vitale en gezonde stad. Het planvoornemen past binnen de Omgevingsvisie Den Haag.
De Structuurvisie CID is in een getrapt proces tot stand gekomen. Hieronder is dit proces beknopt beschreven, met de daarbij relevante document en RIS-nummers.
- In 2016 is de Agenda Ruimte voor de Stad (RIS295016) vastgesteld door de raad, waarin het CID is aangewezen als te ontwikkelen economisch hoogstedelijk gemengd gebied.
- In 2018 (RIS 300623) zijn prioritaire gebieden aangewezen, die de hoogste graad van verdichting zullen krijgen. Parallel werd gewerkt aan het opstellen van de Structuurvisie (toen nog ‘Gebiedsvisie’), gebiedsagenda’s voor de prioritaire gebieden én NvU’s voor een aantal prioritaire ontwikkelgebieden.
- In december 2018 (RIS 301329) zijn de drie gebiedsagenda’s voor de prioritaire gebieden rondom de intercitystations aan de raad aangeboden.
- In april 2019 is de Agenda CID 2040 (RIS 302327) met daarin een uitwerking van de strategische visie en de ambities voor het CID aan de raad aangeboden.
- In december 2019 (RIS 304124) is de gebiedsagenda voor de Campusboulevard aan de raad aangeboden.
In juli 2021 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie CID vastgesteld. De structuurvisie betreft een structuurvisie in de zin van de Wet ruimtelijke ordening (Wro, artikel 2.1): het vormt het inhoudelijk kader voor het beoordelen van initiatieven en op te stellen bestemmingsplannen in het gebied. In de structuurvisie zijn de ambities uit de CID Agenda 2040 vertaald.
Den Haag zet in op een CID dat zich ontwikkelt tot een innovatiedistrict: een mondiale ontmoetingsplaats en internationaal knooppunt voor innovatie. Om deze ambitie te bereiken, worden de gebieden rond de drie treinstations getransformeerd tot een samenhangend gebied. Dit gebeurt aan de hand van zeven ruimtelijke principes:
De zeven ruimtelijke principes zijn voor de gebiedsontwikkeling van het CID uitgewerkt aan de hand van drie thema's:
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de structuurvisie CID. Met de ontwikkeling wordt ingezet op een hoogstedelijk woonwerkmilieu met woningen, bedrijvigheid, commerciële functies en maatschappelijke voorzieningen. Het plan levert daarmee een bijdrage aan de invulling van de woningbouwopgave. Daarnaast wordt ingezet op een mobiliteitstransitie, waarbij een autoluw gebied wordt gerealiseerd en ingezet wordt op wandel- en fiets. De ontwikkeling houdt ook rekening met de gevolgen van klimaatadaptatie en energietransitie o.a. door de aanleg van een groen centraal park, daktuinen en een collectief warmte- koudesysteem. De ruimtelijke kwaliteit van het gebied wordt ten opzichte van de huidige situatie sterk verbeterd, wat de levendigheid in het gebied ten goede komt. In hoofdstuk 4 wordt het planvoornemen uitgebreid toegelicht.
In maart 2022 is een gebiedsnota voor het gebied Laakhavens Hollands Spoor opgesteld. Dit is een gebiedsgerichte uitwerking van de Structuurvisie CID (RIS 307135) en de Gebiedsagenda College Campus (zie paragraaf 3.4.2).
De ontwikkelvisie beschrijft de toekomstige ontwikkeling van het gebied Laakhavens station Hollands Spoor (ten zuiden van het station Hollands Spoor) en vormt het ruimtelijk kader voor individuele ontwikkelinitiatieven en bestemmings- /omgevingsplannen. Het document is zo opgesteld dat de integrale kwaliteit van een gezonde leefomgeving wordt geborgd, passend binnen de ambities voor het CID. De gebiedsnota van uitgangspunten vormt een startpunt voor een ontwikkelproces waarbij het mogelijk is om adaptief te reageren voor nieuwe ontwikkelingen.
De vier belangrijkste thema’s voor de ruimtelijke structuur van Laakhavens zijn ‘verdichten’, ‘verbinden’, ‘vergroenen’ en ‘verfijnen’. De ruimtelijke structuur zorgt voor transformatie naar een multifunctioneel gebied waar de menselijke maat centraal staat. Het verfijnen van het stedelijk weefsel, van megablokken naar kleinere stadsblokken en levendige plinten met een afwisselend programma zijn randvoorwaardelijk.
Verdichten
Het nieuwe Laakhavens is een dynamisch stadsdeel waar wordt gewoond, gewerkt, gestudeerd en geleefd. Het gebied een sterker en aantrekkelijk aanbod aan maatschappelijke en commerciële voorzieningen. Ook bedrijven en winkels houden hier een plek. Daarbij staat functiemenging voorop, zodat Laakhavens zowel overdag als ‘s avonds levendig en veilig is.
Als gevolg van de ontwikkelingen en de aanleg van een centraal park in het gebied, wordt de huidige bedrijfsbebouwing gesloopt. Het toevoegen van nieuwe kleinschalige werk- en bedrijfsruimtes, biedt in de toekomst ruimte voor de creatieve- en maakindustrie. Net afgestudeerden, toekomstige bewoners en omwonenden kunnen hier hun eerste stappen zetten als ondernemer. De woningen zijn stuk voor stuk hoogwaardige nieuwbouwwoningen. Er wordt gebouwd voor een brede doelgroep, waarbij de focus ligt op studenten, starters, samenwonende stellen, empty-nesters, ouderen en stadsgezinnen. Er wordt gebouwd voor mensen die milieubewust zijn en kiezen voor duurzame mobiliteit. De nadruk ligt op compacte woningen, waarmee ingespeeld wordt op het toenemende aantal één- en tweepersoonshuishoudens.
Er worden buurtvoorzieningen toegevoegd die aansluiten op de levensstijl van bewoners. Met ontmoetingsplekken waar zorg, onderwijs, sport en cultuur samenkomen. Er zijn in de buurt van de nieuw te bouwen torens en aan het water voldoende plekken om te kunnen ontspannen en leuke dingen te doen. Er wordt ook ingezet op sportmogelijkheden in de openbare ruimte die voor iedereen toegankelijk, bereikbaar, innovatief en goed zijn voor de gezondheid.
Verbinden
Het Laakhavens van 2040 is voor mensen beter verbonden met haar omgeving. Het netwerk voor voetgangers en fietsers wordt uitgebreid en verbeterd. Bestaande straten krijgen een hoogwaardige nieuwe inrichting, de mogelijkheid om veilig over te steken wordt uitstekend en langs de kade komt een aantrekkelijke wandelroute. Met de komst van nieuwe fiets- en voetgangersbruggen over het Laakkanaal en een extra onderdoorgang in de spoordijk ter hoogte van de Koningstraat, ontstaat er een fijnmazig en uitgebreid wandel- en fietsnetwerk. Zo wordt het gebied letterlijk verbonden met de rest van Den Haag en levert de ontwikkeling van Laakhavens ook iets op voor de omliggende wijken.
Laakhavens verandert van een auto georiënteerde omgeving naar een voetgangersgebied. In het gebied komt meer ruimte voor brede wandelstroken. Pleinen, straten en parken worden het domein van voetgangers, sporters en spelende kinderen. Dat vraagt om een nieuwe structuur voor het autoverkeer. Een aantal doorgaande routes verdwijnt en de auto kan straks niet overal meer komen. Vanaf de centrumring wordt het verkeer zo snel mogelijk naar één van de centrale parkeergarages geleid; de bestaande parkeergarage onder het campusgebied en een nieuwe parkeergarage in Laakhaven Centraal, zowel voor bewoners als bezoekers.
De Calandstraat is onderdeel van de centrumring en blijft een hoofdroute voor gemotoriseerd verkeer de stad in. Op de bestaande kruisingen en ter hoogte van het Laakkanaal (Calandkade – Verheeskade) wordt het makkelijker om over te steken. De Waldorpstraat verandert van autoweg naar groene stadsboulevard, met ruimte voor fiets en voetganger en voorzieningen passend bij een hoogstedelijk centrummilieu. De boulevard is ook onderdeel van de verlengde Velostrada; dit is een hoogwaardige snelfietsverbinding die langs het spoor tussen stations Den Haag Hollands Spoor en Den Haag Mariahoeve wordt gerealiseerd en aansluit op de Velostrada richting Leiden.
Vergroenen
In het Laakhavens van 2040 heeft ‘hard’ plaats gemaakt voor ‘zacht’. De stadscampus is vergroend, Laakhaven Centraal is verrijkt met een nieuw stadspark, de Waldorpstraat is omgetoverd tot groene stadspromenade en langs de kades van de Trekvliet en het Laakkanaal liggen aantrekkelijke wandelroutes. Daken en gevels van alle nieuwbouwontwikkelingen zijn, conform de Nota Haagse hoogbouw (RIS 322705), ingericht met groen. Zo dragen ook de ontwikkelingen van vastgoedeigenaren bij aan een aantrekkelijk, klimaatbestendig en biodivers gebied.
In Laakhavens is iedereen vanuit zijn huis binnen 10 minuten wandelen in het openbaar groen. Het groen is bereikbaar via aangename, autovrije wandel- en fietsroutes en is goed verbonden met groenvoorzieningen buiten het gebied. In Laakhavens komt een nieuw stadspark, in aanvulling op de groene plekken als de Laakwetering, de parkjes in de Schilderswijk en het grote Zuiderpark. Het Park Laakhaven centraal is de nieuwe plek in Laakhavens voor ontspanning en ontmoeting, met sport- en speelfaciliteiten voor verschillende leeftijden en doelgroepen.
Verfijnen
In het nieuwe Laakhavens hebben de megablokken plaatsgemaakt voor stadsblokken, met op de begane grond functies die bijdragen aan de kwaliteit van straat, plein of park. Net als in de rest van de Haagse binnenstad, hebben de nieuwe gebouwen een sterke interactie met het leven op de straat. Er is ruimte voor initiatief van bewoners en ondernemerschap dat gezien mag worden. De mix van woningen, winkels, werkruimtes en voorzieningen op de begane grond maakt van Laakhavens een plek waar je kunt struinen en slenteren en waar je met plezier een blokje om gaat.
Hieronder is het ruimtelijk raamwerk en programmakaart van Laakhavens opgenomen. Het plan beoogd o.a. een stadspark, kantoren, bedrijvigheid, commerciële voorzieningen, maatschappelijke voorzieningen en wonen.
Afbeelding 3.1 Programmakaart
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de ontwikkelvisie. In de ontwikkelvisie is aan de hand van de thema’s verdichten, verbinden, vergroenen en verfijnen invulling gegeven aan de gebiedsopgave van Laakhavens Hollands Spoor. Deze thema’s zijn de basis voor de ruimtelijke en programmatische uitwerking van het gebied. In de ontwikkelvisie zijn daartoe een ruimtelijk raamwerk, een globale programmatische uitwerking en enkele themakaarten voor onder andere de groenstructuur en de verkeersontsluiting opgenomen. Deze globale kaders zijn verder uitgewerkt in de ontwikkelstrategie.
De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij het ruimtelijk raamwerk uit gebiedsnota en de daarin opgenomen programmakaart. Hierbij wordt ingezet op hoogbouw, met ruimte voor diverse voorzieningen (bedrijvigheid, kantoren, commerciële- en maatschappelijke voorzieningen en wonen) in de plint en vergroening o.a. door de aanleg van een centraal park, openbaar groen en daktuinen. Door een slim ontworpen openbare ruimte en mobiliteitstransitie ontstaat voor voetgangers en fietsers een multifunctioneel gebied waar de menselijke maat centraal staat en waar een aantrekkelijke verblijfsruimte ontstaat. Duurzaamheid en klimaatadaptatie zijn geïntegreerd o.a. door het eerder genoemde park, daktuinen en de aanleg van een collectief warmte-koudesysteem. In Hoofdstuk 4 wordt het planvoornemen uitgebreid toegelicht.
Het beeldkwaliteitsplan Laakhavens Hollands Spoor gaat in op de identiteit van het gebied (verleden, heden en toekomst). Waardevolle cultuurhistorische elementen, sporen en verhalen spelen daarin een rol om een Industriële verleden Laakhavens herkenbaar en samenhangend stuk stad te realiseren. Typisch Laakhavens en typisch Haags. Daarbij wordt gekeken hoe nieuwe gebouwen in Laakhavens zich op een eigentijdse manier verhouden tot de bekende Haagse (baksteen) architectuur. Met als aanvullende inspiratie het robuuste industriële verleden van Laakhavens.
Het beeldkwaliteitsplan beschrijft het toekomstige karakter van het gebied. Hierin staat hoe de gebouwen (architectuur) eruit moeten zien. Bijvoorbeeld welke materialen en kleuren gebruikt mogen worden. En aan welke voorwaarden toekomstige projecten moeten voldoen. Het geeft de ontwerpprincipes voor het gebied. Het document is leidraad voor ontwerpers en bevat criteria voor een kwaliteitstoets door bijvoorbeeld de Adviescommissie Omgevingskwaliteit. Het beeldkwaliteitsplan dient, in combinatie met de Welstandsnota Den Haag 2017 als kader voor de ontwikkelingen in het gebied.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past binnen het Beeldkwaliteitsplan Laakhavens. In Hoofdstuk 4 wordt het planvoornemen uitgebreid toegelicht.
De ontwikkelvisie bevat reeds een globaal landschappelijk raamwerk voor Laakhavens. Dit wordt verder uitgewerkt in het Buitenruimteplan Laakhavens Hollands Spoor.
Het buitenruimteplan draagt zorg voor een evenwichtige kwalitatieve inrichting en doordachte kwantitatieve verdeling van de openbare ruimte, zowel onder- als bovengronds, en waarborgt hiermee een aantrekkelijke en toekomstbestendige openbare ruimte. Het buitenruimteplan biedt de kaders voor de inrichting van de openbare ruimte waaraan alle toekomstige ontwikkelingen moeten voldoen. Het plan gaat niet alleen over de fysieke invulling van de buitenruimte. Het gaat ook over de fasering van uitvoering zodat gedurende de realisatie en transformatie van het gebied leefbaarheid, veiligheid en bereikbaarheid geborgd worden.
Het buitenruimteplan is geen eindontwerp, het is een raamwerk waarbinnen de toekomstige ontwerpopgaven uitgewerkt worden. Voor verschillende deelgebieden zal een ontwerptraject van Schets-, Voorlopig en Definitief ontwerp doorlopen worden. Tevens is het een houvast voor ontwikkelaars en hun architecten om tot een ontwerp te komen dat goed aansluit op de openbare ruimte en de kwaliteiten van de context weet te benutten. De gebiedsontwikkeling van Laakhavens creëert een dynamische en leefbare stedelijke omgeving, waar mensen nu en in de toekomst gezond en met plezier kunnen wonen, werken, leren en verblijven. Bij een gebiedsontwikkeling met de omvang en programma intensiteit van Laakhavens is het vanzelfsprekend dat er een enorme druk en claim gelegd gaat worden op de openbare ruimte. Enerzijds vanuit voorzieningen zoals fietsparkeren, afval en logistiek, anderzijds vanuit de behoefte aan groen, ontmoeten, verblijven, sport en spel. Deze ruimteclaims worden niet alleen bovengronds maar ook ondergronds gelegd. Kabels en leidingen om de gebouwen van voldoende water, data en energie te voorzien moeten concurreren met boomwortels en ondergronds parkeren. Het is een kleine greep uit alle elementen die in het gebied een plek moeten krijgen.
Om van Laakhavens een goed functionerend gebied te maken is het buitenruimteplan integraal opgesteld. Keuzes die zijn gemaakt voor de ruimtelijke structuur zijn onlosmakelijk verbonden met het gebruik, en tegelijkertijd zijn ook het type gebruik en de kwaliteit met elkaar verbonden. Het buitenruimteplan is dan ook opgesteld door continu deze 3 begrippen – ruimtelijke structuur, gebruik en kwaliteit - met elkaar af te wegen. Met deze aanpak vinden alle ambities, onderliggende thema’s en eisen, of het nu gaat om het thema groen, mobiliteit of klimaateisen, een plek in de (ontwerp)principes en zijn deze voor de toekomst geborgd.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past in het buitenruimteplan. In Hoofdstuk 4 wordt het planvoornemen uitgebreid toegelicht.
De Ontwikkelstrategie Laakhavens Hollands Spoor is een verdere uitwerking van de in 2022 vastgestelde Ontwikkelvisie Laakhavens Hollands Spoor (RIS 31182) en geeft richting aan de gebiedsontwikkeling van Laakhavens.
De strategie concretiseert de ruimtelijke en programmatische kaders, de ontwikkelprincipes en fasering, waarbij samenwerking tussen de gemeente en betrokken marktpartijen centraal staat. Met als doel om Laakhavens te transformeren tot een hoogstedelijk, dynamisch gebied met een mix van wonen, werken, studeren en recreëren.
De ontwikkelstrategie bestaat uit 2 delen. Het eerste deel beschrijft de opgave voor Laakhavens Hollands Spoor met een uitwerking van het ontwikkelkader. Het tweede deel behandelt de ontwikkelstrategie en de realisatie.
Het ontwikkelkader vormt het toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied en bestaat uit de volgende onderdelen:
Conclusie
De verschillende onderdelen van de ontwikkelstrategie worden nader toegelicht in de beschrijving van het plan (Hoofdstuk 4). Hieruit blijkt de voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van de ontwikkelstrategie.
In juni 2025 is de Nota Haagse hoogbouw vastgesteld (RIS 322705). Deze nota biedt het beoordelingskader voor het ontwerp van hoogbouwprojecten in Den Haag.
De Haagse hoogbouwprincipes zijn geclusterd binnen vier thema´s: klimaatbestendig & duurzaam, ruimte & leefbaarheid, mobiliteit & logistiek en voorziening & programma. Elk thema moet binnen de hoogbouwontwikkeling vertegenwoordigd zijn. Locatie specifieke omstandigheden kunnen ervoor zorgen dat niet alle principes binnen een thema haalbaar of wenselijk zijn. In samenwerking tussen het gemeentelijk projectteam en de initiatiefnemer wordt afgewogen in welke mate principes per thema voor de locatie zullen gelden.
Den Haag concentreert hoogbouw voornamelijk rondom OV knooppunten. Het doel is om hoogbouw onderdeel te maken van een beeldbepalend en herkenbaar ensemble dat een belangrijke functie en kwaliteit van het gebied markeert. Niet één hoge toren bepaalt de belangrijkheid van een bepaalde plek, zoals vroeger de kerktoren, maar ensembles van torens bepalen het stadsbeeld. Een dergelijk ensemble kan zorgen voor de herkenning en verbinding van verschillende gebieden. Omdat ieder gebied een andere identiteit en dynamiek heeft, is het nodig om gebiedsspecifieke afwegingen te maken over hoogte en volume en over de architectuur van hoogbouw. Dat vraagt om maatwerk per gebied. Laakhavens is hierin opgenomen.
Haagse hoogbouw is onderdeel van een samengesteld bouwblok, bestaande uit een Haagse laag met daarop torens. Het onbebouwde deel van het dak van de stedelijke laag is een daktuin of tweede maaiveld voor bewoners en gebruikers. De Haagse laag (of stedelijke laag) vormt de stad op ooghoogte. De begane grond en de eerste paar lagen zijn onderdeel van deze Haagse laag. De Haagse laag heeft een hoogte die verschilt per plek in de stad. Door de Haagse laag is er een goede aansluiting op de aangrenzende gebouwen en wordt de continuïteit van wanden, straten en pleinen gestimuleerd.
De plint is onderdeel van de Haagse laag en beslaat overwegend de eerste en in sommige gevallen de tweede bouwlaag. Dit deel van het gebouw, én de zone ervoor, is vanaf de straat het meest zichtbaar voor de langslopende voorbijganger. Dit is de plek waar bedrijvigheid, voorzieningen en woningen zich presenteren aan de stad en waar de dynamiek en levendigheid het meest tot uiting komt. De plint is ook de plek waar de interne organisatie en programmering, en de externe organisatie en programmering van de openbare ruimte elkaar ontmoeten en beïnvloeden. Deze relatie heeft grote impact op de omgeving en een vroege uitwerking hiervan in het ontwerp en de situering van nutsvoorzieningen en afvalinzameling met o.a. de publieke partijen is voorwaardelijk. Belangrijk uitgangspunt is dat het programma van de plint nadrukkelijk bijdraagt aan de kwaliteit van de omgeving van het gebouw.
Haagse hoogbouw kenmerkt zich door elegante en zo slank mogelijke torens met een karakteristieke ‘bekroning’ in de vorm van een hoed, pet of een kroon. Slanke torens dragen bij aan een gevoel van lucht, licht en ruimte op straat. Nieuwe hoogbouw moet een toevoeging zijn aan het typerende silhouet van de stad.
In de nota is ook opgenomen dat 3% van het totale BVO programma als collectieve ruimte gerealiseerd dient te worden. Afwijken van deze norm is alleen mogelijk met een goed onderbouwd concept en dient ter beoordeling aan de gemeente te worden voorgelegd.
Conclusie
In de ontwikkeling worden bouwvolumes mogelijk gemaakt die passen binnen de Nota Haagse Hoogbouw. Zie voor een uitgebreide beschrijving Hoofdstuk 4 en meer specifiek paragraaf 4.3, 4.5, 4.6 en 4.10. Voor de toetsing aan de aspecten wind en bezonning wordt verwezen naar Hoofdstuk 5 .
In de Agenda Groen voor de Stad (RIS294705) wordt geconstateerd dat door de toenemende bevolking en het bijbehorende ruimtebeslag de leefkwaliteit in het algemeen en het groen in het bijzonder soms onder druk komen te staan. Omdat Den Haag een aantrekkelijke stad wil blijven voor bewoners, bezoekers en bedrijven, moeten er strategische keuzes worden gemaakt op het gebied van verdichting, vergroening en verduurzaming. De ambitie is een verdere kwalitatieve ontwikkeling van het Haagse groen, waarbij ruimte bestaat voor verandering en initiatief en bij ontwikkelingen groen toekomstbestendig wordt vormgegeven: groen kapitaal als basis voor een goede leefkwaliteit. Het doel is het Haagse groen kwalitatief te ontwikkelen.
De stedelijke leefkwaliteit is afhankelijk van gebiedskenmerken als bebouwingsgraad, aanwezigheid van infrastructuur en het gebruik van de ruimte (wonen, werken, recreatie, natuur). Het Haagse Groen moet gezien worden als een vorm van kapitaal met de ecologische, de maatschappelijke en de economische waarde. Mede op basis van de stadsgesprekken en het online platform zijn deze waarden uitgewerkt in zes thema's: klimaat, biodiversiteit, gezondheid, ontspanning imago en ontwikkeling.
Voor Hagenaars voelt het vaak of groen voor nieuwe ontwikkeling moet wijken. Het is de uitdaging om intensivering te combineren met een waardevolle, betekenisvolle, gezonde en goed functionerende groenstructuur. Intensivering van de stad vraagt om intensivering van groen en groenkwaliteit. Naarmate de stad verdicht, neemt de waarde van het groen toe. Omgekeerd zorgt groen ook voor toename van vastgoedwaarde. Deze twee waarden zouden elkaar moeten vinden en versterken.
We streven er naar dat elke (vastgoed)ontwikkeling bijdraagt aan de groene kwaliteit van Den Haag. Dit gebeurt op verschillende wijzen: op de klassieke wijze door ontwikkeling van parken en straatgroen, door het ontwikkelen en openstellen van groene binnengebieden en daktuinen, als ook het realiseren van geveltuintjes of groene gevels. Ook kunnen investeringen in kwaliteit of gebruikswaarde uitkomst bieden.
Conclusie
Het plangebied is in de huidige situatie vrijwel versteend. Voor Laakhaven Hollands Spoor is een buitenruimteplan opgesteld dat rekening houdt met de Agenda Groen voor de stad. Het gebied wordt vergroend, door onder andere de realisatie van een park, openbaar groen en daktuinen. Zie voor een uitgebreide beschrijving Hoofdstuk 4, en meer specifiek 4.3, 4.5, 4.6 en 4.10.
De Stedelijke Groene Hoofdstructuur (SGH) van Den Haag bepaalt voor een belangrijk deel het karakter van de stad. De Stedelijke Groene Hoofdstructuur dient duurzaam in stand gehouden te worden en waar mogelijk versterkt (RIS300506). Het groen heeft vele functies, één daarvan is de functie als stedelijk natuurnetwerk, dat wil zeggen de drager van de stedelijke natuur en verbindingsstructuur voor de omliggende natuur. Deze structuur sluit aan op het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Stedelijke Groene Hoofdstructuur bestaat uit kerngebieden (de groengebieden) met daartussen de ecologische verbindingszones.
Conclusie
Het plangebied ligt niet in de Stedelijke groene Hoofdstructuur. Wel maakt het plangebied onderdeel uit van de Hoofdboomstructuur. Zoals eerder aangegeven zal het gebied worden vergroend, conform het buitenruimteplan. Zie voor een uitgebreide beschrijving Hoofdstuk 4, en meer specifiek 4.3, 4.5, 4.6 en 4.10.
De Nota Stadsnatuur is een uitwerking van de Agenda Groen voor de Stad (zie 3.4.2.2) en de opvolger van de Nota Ecologische Verbindingszones 2008-2018 (RIS 159450). De Agenda Groen heeft ten aanzien van biodiversiteit de ambitie om de stad voor mensen, planten en dieren als ecosysteem te laten functioneren. De Agenda Groen beschouwt het netwerk van verbonden groengebieden – de Stedelijke Groene Hoofdstructuur – als basis voor natuur in de stad, zet in op het creëren van gunstige vestigingscondities voor planten en dieren en streeft naar biotopen met een zo groot mogelijke soortenrijkdom. In de nota wordt hier uitwerking aan gegeven door in te zoomen op de inrichting en het beheer van het groenblauwe netwerk, zowel boven als onder water.
Een groene stad heeft veel te bieden aan inwoners. Bomen en planten zorgen immers voor verkoeling tijdens warme zomers en bieden een aangename plek voor bewoners om te verblijven. Een groene stad is ook beter toegerust om mee te bewegen op veranderingen in het klimaat, zoals uitschieters in temperaturen en neerslag. Een stad waar veel verschillende planten- en diersoorten zoals vlinders en vogels voorkomen, blijkt positief te zijn voor het welzijn van mensen. Een hoge biodiversiteit zorgt ervoor dat lastige soorten minder kans krijgen en er genoeg natuurlijke vijanden zijn om plaagsoorten in toom te houden.
Conclusie
Zoals onder 3.5.2 is aangegeven maakt het plangebied geen onderdeel uit van een ecologische verbindingszone. Het TAM-plan past daarmee binnen de Nota Stadsnatuur. Zie voor een uitgebreide beschrijving Hoofdstuk 4, en meer specifiek 4.3, 4.5, 4.6 en 4.10.
Met de nota Stadsbomen 'Leefkwaliteit voor de stad' (RIS307827) wordt de ambitie uit de Agenda groen voor de stad, om door middel van groenbeleid bij te dragen aan een zo hoog mogelijke leefkwaliteit in de stad, concreet gemaakt.
De Nota stadsbomen bevat twee hoofddoelen:
De nota Stadsbomen vormt een drieluik samen met het Routeboek stadsbomen in beheer en het Routeboek stadsbomen in projecten. De nota geeft de ambitie, visie en hoofduitgangspunten aan. In de routeboeken zijn deze concreet gemaakt en nader uitgewerkt.
In de Algemene Plaatselijke Verordening is de bescherming van bomen vastgelegd. Volgens de Algemene plaatselijke verordening (APV) van Den Haag, artikel 2.80 e.v., is voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig (RIS 174540). Door deze bescherming kunnen belangen zorgvuldig worden afgewogen voordat een omgevingsvergunning wordt afgegeven dan wel geweigerd. Daarnaast is een mogelijkheid opgenomen om monumentale bomen aan te wijzen. Monumentale bomen hebben een hogere beschermingsstatus. Voor een volledig overzicht van de monumentale bomen in Den Haag is op de website van de gemeente Den Haag de meest actuele lijst en kaart terug te vinden.
Conclusie
In het plangebied staan nu diverse bestaande bomen. In het plan wordt in lijn met het buitenruimteplan uitgegaan van een één of meerdere bomenrijen op de belangrijkste wegen in het gebied. Het TAM-Omgevingsplan past daarmee binnen de kaders van de Nota Stadsbomen. Zie voor een uitgebreide beschrijving Hoofdstuk 4, en meer specifiek 4.3, 4.5, 4.6 en 4.10.
De gemeente Den Haag wil natuurinclusief bouwen in de stad bevorderen (2019, RIS 301953). Enerzijds gaat het om het verbeteren van de leefomstandigheden van huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Dit zijn soorten die onder druk staan doordat gebouwen tegenwoordig zo gebouwd worden dat deze soorten geen nestelgelegenheden meer hebben. Anderzijds gaat het om een veel bredere opgave om meer natuurlijk groen in de directe woonomgeving toe te passen. Door de verdere stedelijke verdichting die door de verwachte bevolkingsgroei zal plaatsvinden is deze opgave extra actueel. Daarom wil de gemeente Den Haag aandacht voor het toevoegen van groen (met natuurwaarden) op en aan gebouwen, op binnenterreinen en in de openbare ruimte.
Welke natuurinclusieve maatregelen bij een bouwproject moeten worden toegepast, staat beschreven in het instrument 'Puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen Den Haag' (2019, RIS 301953).
Conclusie
Met het plan wordt een ontwikkeling mogelijk gemaakt waarbij het Puntensysteem voor groen- en natuurinclusief bouwen van toepassing is. Het gaat om een grootstedelijk project gelegen in stadszone 'Gebieden met hoogbouw en grootschalige bebouwing'. Hierdoor dient het te behalen aantal punten voor daken/gevels, verblijf en omgeving minimaal resp. 6, 4 en 6 punten te zijn. Voor Laakhaven Centraal is gekozen voor het instrument van een ambitieweb. Hierin zijn de diverse maatregelen opgenomen. Deze punten kunnen behaald worden met de maatregelentabel opgenomen in het Puntensysteem voor natuur- en groen inclusief bouwen. Zie voor een uitgebreide beschrijving Hoofdstuk 4, en meer specifiek 4.3, 4.5, 4.6 en 4.10.
Algemeen
In de afgelopen jaren is uitvoering gegeven aan het verkeers- en vervoersbeleid zoals vastgelegd in de “Haagse Nota Mobiliteit” (Rv 115 - 2011; RIS 180762). De visie in de nota is er op gericht van Den Haag een duurzaam bereikbare en een leefbare stad te maken door ervoor te zorgen dat reizigers een bewuste keuze kunnen maken voor de vervoerwijze en de route die het beste bij hen past. Daarvoor zijn en worden nog steeds investeringen gedaan voor een verbetering van het openbaar vervoer en de fiets, goede voorzieningen voor voetgangers, en bundeling en ordening van het autoverkeer.
In 2019 is door het college van burgemeester en wethouders de Mobiliteitstransitiebrief gepresenteerd als een vervolg op de Haagse Nota Mobiliteit (RIS 302361). Den Haag groeit sneller dan ten tijde van de HNM werd verwacht. Het verkeer wordt drukker en er is steeds minder ruimte in de stad. Om Den Haag ook in de toekomst leefbaar, verkeersveilig en bereikbaar te houden moet er anders worden gekeken naar en omgegaan worden met mobiliteit. De mobiliteitstransitie is de noodzakelijke doorontwikkeling om de stad leefbaar, bereikbaar en verkeersveilig te houden. In 2040 moet mobiliteit schoon, veilig, efficiënt, betaalbaar, verbonden en op maat zijn.
De mobiliteitstransitie van Den Haag zet in op mobiliteit die past bij een verdichtende stad. Dat wil zeggen dat veilig, ruimte-efficiënt en schoon vervoer prioriteit krijgt. Voornamelijk lopen, fietsen en OV dus. Op die manier zorgen we voor minder verkeersslachtoffers, een aantrekkelijkere openbare ruimte en een klimaatvriendelijke en gezonde stad. Het alternatief is dat de wegen van de stad dichtslibben, de luchtkwaliteit verslechtert en automobiliteit steeds meer schaarse openbare ruimte vraagt. Een scenario dat niet past bij de ambities om de stad bereikbaar, leefbaar en veilig te houden.
De ideeën en plannen voor de Haagse mobiliteitstransitie staan in de nieuwe Strategie Mobiliteitstransitie 2022 – 2040 (RIS 310664) als vervolg op de Hoofdlijnenbrief mobiliteitstransitie. Hierin staat hoe de Haagse mobiliteit er in 2040 uit ziet en hoe de gemeente de mobiliteitstransitie wil versnellen.
Conclusie
Het plan is deel van ambitie van de Compacte Stad waarin Den Haag kiest voor het verdichten binnen de bestaande grenzen. Door in te zetten op een compacte stad worden de mobiliteits- en bereikbaarheidsopgaven van een leefbare stad en regio verbonden. In deze stad is nabijheid – en niet snel lange afstanden kunnen afleggen – leidend voor bereikbaarheid. Dan zijn de afstanden korter en worden ze vaker afgelegd te voet, met de fiets of met het OV. Ook wordt de bestaande infrastructuur zo beter benut omdat meer mensen zich erover kunnen verplaatsen. Het is de ambitie om de groei van mobiliteit in een groeiende stad op te vangen zonder een toename van het autoverkeer.
Het plangebied valt onder het CID. Voor het CID heeft de gemeenteraad ingestemd met de structuurvisie met daarin een pakket aan, onder andere, verkeersmaatregelen. In dit plangebied betreft dat een verbetering van de loop- en fietsroutes en het weren van doorgaand verkeer via de Waldorpstraat. Daarnaast is door de raad besloten tot een aangescherpt parkeerbeleid voor het CID waarmee het autobezit en autogebruik in het CID kan worden beperkt (RIS 306160).
Openbaar vervoer
Het openbaar vervoer speelt een belangrijke rol als drager van ruimtelijke ontwikkelingen. Het dient te zorgen voor aantrekkelijke en snelle vervoerstromen tussen woon- en werklocaties, naar het centrum en andere belangrijke attractiepunten. De komende jaren staan binnen de gemeente Den Haag ingrijpende verbeteringen van het openbaar vervoer op stapel. Dat gebeurt aan de hand van de toekomstplannen van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) voor het openbaar vervoer. Deze ambitieuze plannen onder de naam 'Netwerk RandstadRail' gaan onder meer over het geschikt maken van bestaande tramlijnen voor breder trammaterieel en de aanleg van P+R-terreinen bij diverse stations.
Autoverkeer
Het gemotoriseerde verkeer wil de gemeente zoveel mogelijk ordenen en concentreren op een stelsel van goed ingepaste stedelijke en regionale hoofdwegen (zie kaart “Hoofdstructuur wegverkeer” uit de Haagse Nota Mobiliteit) met voldoende capaciteit om een optimale doorstroming te waarborgen. Een vlotte doorstroming op de hoofdwegen zorgt ervoor dat het verkeer als vanzelf deze hoofdwegen kiest, waardoor de verkeersdruk op de woonwijken minder kan zijn. De hoofdwegen zorgen voor een goede bereikbaarheid van de grote concentraties van werkgelegenheid en voorzieningen in de stad vanuit de regio en verder. Tevens verbinden de hoofdwegen de stadsdelen en wijken onderling met elkaar. De hoofdwegen hebben een zodanige vormgeving en inpassing dat voldaan wordt aan de leefbaarheidseisen en milieunormen. In de woonwijken is doorgaand autoverkeer niet welkom. De wijkontsluitingswegen krijgen daarom op den duur een inrichting als “stadslaan”: wegen met een minder dominante positie voor autoverkeer en prioriteit voor langzaam verkeer en openbaar vervoer. De erftoegangswegen krijgen een inrichting als 30 km/u zone, voor zover dat nog niet gebeurd is. De “Nota Straten, Wegen en Lanen” (rv 10-2017, RIS 280303_150224) bevat een uitwerking van het beleid uit de Haagse Nota Mobiliteit voor de wegen in de gemeente. De Nota SWL bevat de functionele eisen die gesteld worden aan de wegenstructuur, zoals een duidelijke hiërarchie in het wegennet en een voldoende afwikkeling van de verschillende verkeerssoorten. De Nota SWL beschrijft ook de wegbeelden voor de inrichting van de verschillende wegcategorieën. Die wegbeelden betreffen niet alleen het verkeer, maar hebben ook te maken met de ruimtelijke inpassing van wegen. Daarbij gaat het ook om groen, water, openbare ruimte en stedenbouwkundige structuur van de stad.
Fietsverkeer
Het fietsverkeer krijgt vanwege het milieuvriendelijke karakter en de fysiek zwakkere positie ten opzichte van het gemotoriseerde verkeer, bijzondere aandacht. Door het aanbieden van een aantrekkelijk hoogwaardig netwerk van veilige fietsroutes wordt het gebruik van deze vervoerswijze gestimuleerd.
In 2019 is de Fietsstrategie 2040 – Ruime baan voor de fiets is vastgesteld (RIS 302960). Ambitie van de strategie is dat Den Haag een echte fietsstad wordt, voor álle Hagenaars. In 2040 is de fiets het belangrijkste vervoermiddel voor verplaatsingen in de stad. Dat betekent wel dat de infrastructuur moet meegroeien met het fietsgebruik. Dat betekent letterlijk meer ruimte maken voor de groei van het fietsgebruik. Met investeringen in voldoende capaciteit voor de rijdende en de parkerende fiets die ook bijdragen aan een aantrekkelijke inrichting van de openbare ruimte. Mede dankzij nieuwe typen fietsen, zoals de E-fiets, de bakfiets en deelfietsen is de fiets voor meer mensen en voor meer verplaatsingen een aantrekkelijke keuze. In 2040 is de (elektrische) fiets het dominante vervoermiddel voor verplaatsingen in de stad. De afgelopen jaren is fors geïnvesteerd in het stedelijke fietsroutenetwerk. Zowel in de realisatie van sterfietsroutes als in het opheffen van ontbrekende schakels op het hoofdroutenet. Het fietsgebruik op de Haagse en regionale routes groeit stevig en moet in goede banen worden geleid; door de conflicten met andere verkeersdeelnemers te verminderen en door in de ruimtelijke inrichting meer prioriteit aan de fiets te geven.
Conclusie
Binnen het stelsel van hoofdfietsroutes is een net van 'sterroutes' aangegeven. De sterroutes vormen de belangrijkste doorgaande routes die de woongebieden met het stadscentrum, de knooppunten van openbaar vervoer en het buitengebied verbinden. Het plangebied ligt direct aan de sterfietsroute via de Waldorpstraat (zowel richting Voorburg/Leiden als richting Moerwijk/Rijswijk en sluit het gebied ook aan op het stelsel van hoofdfietsroutes in de stad met vrijliggende fietspaden. Het plangebied heeft dan ook directe en hoogwaardige fietsverbindingen met een groot deel van de stad en de regio. Daarnaast is de nodige aandacht voor het stallen van fietsen, zowel bij woningen als bij werklocaties, maar ook bij de grotere attractiepunten zoals scholen, winkelgebieden, stations en recreatiebestemmingen. De publieke voorzieningen voor de fiets maken integraal onderdeel uit van de inrichting van de openbare ruimte.
Parkeren
Het parkeren en stallen van auto's neemt een belangrijke plaats in binnen het verkeer- en vervoerbeleid van de gemeente Den Haag. Het algemene parkeerbeleid is vastgelegd in de Parkeerstrategie 2021 - 2030 (RIS308711). Dit beleid gaat vooral over het faciliteren van de parkeerbehoefte en het benutten van schaarse ruimte maar moet ook automobilisten prikkelen om meer met het openbaar vervoer te reizen of de fiets te pakken. Hoge stedelijke bebouwingsdichtheden zonder adequate parkeervoorzieningen leiden vaak tot een te zware belasting van de openbare ruimte. Dat geldt zowel voor woon- als werkfuncties maar ook voor locaties die veel bezoekers trekken. Behalve de noodzaak tot de verdeling van schaarse (openbare) parkeergelegenheid in een aantal gebieden in de stad, zijn mobiliteitsoverwegingen gericht op het streven naar een bereikbare en leefbare (woon) omgeving voor de gemeente aanleiding tot het stellen van parkeereisen bij nieuwe ontwikkelingen.
Parkeernormen
Voor het plangebied geldt het beleid uit de Nota parkeernormen CID en Binckhorst (RIS306160). Nieuwbouw- en verbouwplannen worden aan het beleid getoetst. Aan de hand van de parkeernormen wordt de parkeerbehoefte berekend en vergeleken met de beschikbare voorzieningen.
Belangrijk uitgangspunten van het beleid is het vooropstellen van voetgangers, fietsers en verblijfskwaliteit. De gemeente zet in op het gebruik van centrale parkeervoorzieningen en het benutten van bestaande parkeercapaciteit. De gemeente kan onder andere de parkeerdruk en eventuele beschikbare parkeerruimte binnen loopafstand in de omgeving, meewegen. Dat geldt ook voor functies waarvan de parkeerplaatsen onderling uitwisselbaar zijn. Daarnaast kan de gemeente in afwijkende situaties maatwerk toepassen. Aan de hand van de informatie wordt vastgesteld hoeveel parkeerplekken de initiatiefnemer moet realiseren. In totaal worden maximaal 2000 parkeerplaatsen gerealiseerd in het plangebied. Dit is geborgd in de regels.
Fietsparkeren
De aantrekkelijkheid van een reis per fiets wordt mede bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de fietsparkeervoorziening bij herkomst en bestemming. Daarnaast wil de gemeente voorkomen dat de kwaliteit van de buitenruimte onder druk komt te staan doordat fietsen teveel geparkeerd worden op plaatsen met een intensief gebruik van de openbare ruimte. Om die reden gaat de gemeente uit van het faciliteren en sturen op het stallen van fietsen bij belangrijke bestemmingen of bestemmingsgebieden, zoals NS-stations en de binnenstad. Daarnaast hanteert de gemeente fietsparkeernormen bij nieuwbouw en verbouw van kantoren, bedrijven en voorzieningen. Het gemeentelijke beleid ten aanzien van het stallen van fietsen is vastgelegd in de “Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016” (RIS294386). In overleg met de marktpartijen is hiervan voor een aantal bouwvlakken van afgeweken. Voor deze bouwvlakken geldt de Leidraad Fietsparkeren van het CROW 2025. Hiervoor is gekozen omdat de normen voor fietsgebruik zoals vastgelegd in deze nieuwe leidraad beter aansluiten bij het te verwachten fietsgebruik dan de gedateerde normen uit 2016 en de verwachte groei van het fietsgebruik. In deze stukken worden normen vastgesteld voor de aanwezigheid van fietsparkeerplaatsen bij kantoren, bedrijven en voorzieningen. Deze fietsparkeernormen worden toegepast bij nieuwbouw en verbouw waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is. Het hanteren van fietsparkeernormen is nodig om het fietsen in Den Haag te stimuleren en het beslag van het fietsparkeren op de schaarse openbare ruimte te kunnen reguleren. Bij de bepaling van de fietsparkeernormen is het faciliteren van het groeiende fietsgebruik het uitgangspunt geweest.
Voor het fietsparkeren bij woningen is de eis uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) van toepassing, waarin is aangegeven dat bij woningen een berging aanwezig is. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor een woongebouw kan in de aanvraag verzoeken om afwijking van de prestatie-eisen die het Bbl stelt aan buitenbergingen, anders genoemd verzoeken om toepassing van gelijkwaardigheid. In de “Beleidsregels Bergingen nieuwe woongebouwen Den Haag 2017” (RIS297288) staat aangegeven onder welke voorwaarden collectieve fietsstallingen kunnen worden gebouwd in plaats van afzonderlijke fietsbergingen per woning.
De fietsparkeerbehoefte van een ontwikkeling met een niet-woonfunctie wordt berekend aan de hand van het bouwplan en de daarbij behorende parkeernorm. Indien er concrete aanleiding bestaat om de berekende fietsparkeerbehoefte bij te stellen, is het aan de ontwikkelaar om aan te tonen op grond waarvan dat nodig is. Dubbelgebruik kan daar bijvoorbeeld een aanleiding voor zijn.
Laden en lossen
Naast de behoefte aan parkeerplaatsen voor auto's en fietsen is het voor ontwikkelingen noodzakelijk dat bij/in het gebouw wordt voorzien in een ruimte voor het laden of lossen van goederen en het inzamelen van afval. Het gebruik van de gronden en/of opstallen ten behoeve van laden en lossen is een van de gebruiksdoeleinden waarvoor in verband met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties regels worden opgenomen in het TAM-omgevingsplan. In de regels van het plan is opgenomen dat het laden- en lossen binnen de functie ‘Kantoor’ binnen het verbeelding aangegeven bouwvlak moet plaatsvinden. Voor een aantal bouwvlakken binnen Wonen is bepaald dat het laden- en lossen inpandig moet plaatsvinden (bouwvlakken VI, VIII en IX). Op overige plekken vindt het laden- en lossen op straat plaats.
Conclusie
Het plan is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid ten aanzien van mobiliteit en parkeren. Zie voor een uitgebreide beschrijving Hoofdstuk 4, en meer specifiek 4.4, 4.5 en 4.9.
Het beleid voor wonen is opgenomen in de Woonvisie Den Haag 2040 (RIS319812). Hiermee wordt ingezet op voldoende nieuwe woningen in Den Haag, zodat iedereen een fijne en betaalbare plek heeft om te wonen. De woonvisie vormt samen met de Structuurvisie CID en de Ontwikkelvisie Laakhavens Hollands Spoor de basis voor wat betreft de verdere uitwerking van het woningbouwprogramma in Laakhavens Centraal. In paragraaf 4.3.2 is een nader uitwerking van het woonbeleid opgenomen.
Conclusie
Het plan past binnen de kaders van de Woonvisie Den Haag 2040. Zie paragraaf 4.3.2 voor een meer uitgebreide beschrijving.
De economische visie dient als Kadernota economisch beleid (RIS303550) en vervangt de beleidsnota "de Kracht van Kwaliteit" (RIS180414). De brede economische groei als algemene doel wordt via vier strategische doelen verwezenlijkt:
• een attractieve stad voor bewoners, bezoekers en bedrijven;
• een veerkrachtige economische structuur;
• een excellent ondernemingsklimaat, waarin ondernemers kunnen groeien;
• voldoende ruimte voor bedrijvigheid in aantrekkelijke werkmilieus.
Brede economische groei is een integrale opgave. Ruimte voor werk moet meegroeien met het inwoneraantal zodat elke inwoner van Den Haag mee kan doen: ondernemer en werknemer, onafhankelijk van opleidingsniveau. Er is dringend behoefte aan meer en kwalitatief diverse betaalbare, duurzame en bereikbare bedrijfsruimte. De Haagse agglomeratie moet meer ruimte bieden aan verschillende soorten bedrijvigheid: van internationale topmilieus tot bedrijventerreinen en kleinschalige bedrijfsruimte in de wijken met voldoende leer-werkmogelijkheden voor vakmensen.
Conclusie
In de Economische Visie Den Haag+ 2030 (RIS303550) is opgenomen dat structureel wordt ingezet op meer banen in Den Haag en de regio. Dit is nodig omdat de bevolking flink groeit en om te zorgen dat Den Haag economisch en sociaal-maatschappelijk op peil blijft. Om voldoende ruimte voor werken te borgen is beleid opgenomen in het Programma Bedrijfshuisvesting (RIS318691).
De Kadernota detailhandel Den Haag “De Haagse hoofdwinkelstructuur centraal” (RIS 300626) is in 2018 vastgesteld. Met de Kadernota Detailhandel worden de ruimtelijke (juridisch-planologische) beleidskaders aangegeven voor de vestiging en ontwikkeling van de detailhandel in Den Haag in de toekomst. Daarbij staat de hoofdwinkelstructuur centraal. Alle inspanningen zijn erop gericht om de winkelstraten in deze hoofdwinkelstructuur te versterken en vestiging van nieuwe winkels zoveel mogelijk te concentreren in deze hoofdwinkelstructuur.
Conclusie
Het plan voorziet in nieuwe detailhandel binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken. Het plangebied behoort reeds tot de hoofdwinkelstructuur van Den Haag. Het programma voor detailhandel voldoet aan beleid en wat wordt opgenomen in het plan voldoet aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Zie voor een uitgebreide omschrijving Hoofdstuk
4, en meer specifiek 4.3 en Hoofdstuk 5 voor de ladder voor duurzame verstedelijking.
Den Haag wil met de kracht van horeca de aantrekkelijkheid van Den Haag vergroten, de ontwikkeling van gebieden met grote economische betekenis verder aanjagen en groei van werkgelegenheid in de horecasector stimuleren. De visie voor het gemeentelijk horecabeleid in de komende jaren wordt in de 'Horecavisie Den Haag' (RIS 288645) uiteengezet langs de belangrijkste thema's. Hiermee zet Den Haag in op het verder optimaliseren van de randvoorwaarden voor een bloeiend horecaklimaat in de stad.
In de horecavisie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
De gemeente heeft als rol om afwegingen te maken tussen de belangen van ondernemers onderling en die tussen ondernemers en bewoners. Hierbij wordt uitgegaan van gebiedsprofielen voor de vestiging van horecazaken.
In de Nachtvisie (RIS319421), wordt Laakhavens aangemerkt als beperkt kansrijk voor nachthoreca. De Nachtvisie is ontworpen om een levendig, veilig en inclusief nachtleven te creëren dat bijdraagt aan de economische, sociale en culturele vitaliteit van Den Haag. De visie maakt ruimte voor nieuwe nachtinitiatieven op geschikte locaties, zoals Laakhavens. Een voorwaarde voor deze initiatieven is dat ze minstens 25% van de programmering uit Haags talent bestaat, zodat lokale (beginnende) artiesten een plek krijgen hun talent te ontwikkelen.
Het resultaat is dat de kracht van Haagse horecaondernemers optimaal bijdraagt aan de quality of life voor bewoners, de aantrekkingskracht op (zakelijke) toeristen, een concurrerend vestigingsklimaat voor bedrijven en aan de werkgelegenheid in het algemeen.
Horecavisie: uitwerkingsplan 2016-2019
Het Uitwerkingsplan 2016-2019 (RIS 288643) maakt de vertaling van de Horecavisie naar concrete acties. In het uitwerkingsplan zijn een aantal regels en locaties specifiek benoemd. Voor winkelgebieden en winkelstraten zijn specifieke percentages horeca opgenomen.
Conclusie
Het plan voorziet in nieuwe horeca voor de categorieën licht- , middel en zwaar. Hierbij is rekening gehouden met de kaders uit de horecavisie en het uitwerkingsplan 2016-2019. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders. Zie voor een uitgebreide omschrijving Hoofdstuk 4, en meer specifiek 4.3.
Het kantorenbeleid is vastgelegd in de nota 'Kantorenstrategie Den Haag 2018-2025, de gebruiker centraal 2.0' (RIS 300807).
Belangrijke elementen van de kantorenstrategie zijn het aanhouden van een planvoorraad van 200.000 m² bvo voor nieuwbouw, het terughoudend omgaan met transformaties van panden boven de 1.500 m² bvo, het respecteren van bestaande transformatieplannen, het stimuleren van verduurzaming en het verruimen van bestemmingsmogelijkheden. Het Central Innovation District en de Internationale Zone zijn de (inter)nationale toplocaties voor kantoren binnen Den Haag.
Conclusie
Het plangebied valt in het CID. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders. Met het plan wordt 16.250-34.000 m2 BVO kantoor mogelijk gemaakt. Hiermee wordt voldaan aan de compensatieplicht door transformatie van kantoren boven de 1500 m2. Dit wordt in het TAM-plan geborgd. Het plan past daarmee binnen de kantorenstrategie. Zie hoofdstuk 4 voor een uitgebreide beschrijving.
Onderwijs
Voor onderwijs worden in de “Haagse Educatieve Agenda 2022-2026, Ontwikkelkansen in Den Haag” (RIS311077) beleidsambities beschreven. Het overkoepelende doel van de agenda is het bevorderen van gelijke onderwijskansen. De partners streven ernaar dat in Den Haag alle kinderen en jongeren de kans krijgen om zich optimaal te ontwikkelen en het beste uit zichzelf te halen. Belangrijke ambities zijn voldoende, bevoegde en bekwame onderwijsprofessionals, een optimale leer- en ontwikkelomgeving, de juiste ondersteuning ne passende plek voor alle kinderen en jongeren en onderwijs dat bijdraagt aan de brede welvaart van Hagenaars.
Onderwijshuisvesting
Wat betreft onderwijshuisvesting voor primair, (voortgezet) speciaal- en voortgezet onderwijs bieden de nota “Onderwijshuisvesting in Den Haag, Op weg naar een stedelijk integraal huisvestingsplan” (RIS301793) en het Integraal Huisvestingsplan (IHP) Onderwijs 2020 – 2030 (RIS304176) het richtinggevend kader. Op het gebied van onderwijshuisvesting streeft de gemeente naar voldoende onderwijshuisvesting van goede kwaliteit die toekomstbestendig is (in gebruik, maar bijvoorbeeld ook qua duurzaamheidsprestaties) op toegankelijke plekken. Hierdoor wordt met een zo evenwichtig mogelijke spreiding over de stad een goed onderwijsaanbod mogelijk gemaakt. Nieuwe schoolgebouwen worden, in aansluiting op de toenemende behoefte aan onderwijshuisvesting in de stad, gerealiseerd op basis van een goede afstemming van vraag en aanbod.
Kinderopvang
Met het raadsvoorstel van 24 april 2014 (rv 45, RIS 271202-140408) heeft de raad besloten om bij nieuwbouw van schoolgebouwen waar gewenst en mogelijk tegelijkertijd rendabel (vervangende) nieuwbouw te realiseren van accommodaties voor kinderopvang. Den Haag streeft ernaar om kinderopvangcentra in, of direct nabij, scholen in stand te houden en, indien dit nodig blijkt, verder uit te breiden. De samenwerking tussen onderwijs en kinderopvang in kindcentra neemt steeds meer toe en zal intensiever worden. De gemeente kan hierin een faciliterende rol spelen.
Peuterspeelzaalwerk
De gemeente Den Haag streeft in haar huisvestingsplannen naar de vestiging van voorscholen: een peuterspeelzaal en een (Gemeentelijk Onderwijs Achterstand of GOA-) basisschool die dezelfde voor- en vroegschoolse educatieve programma's gebruiken. Voor deze samenwerking is het wenselijk dat de peuterspeelzaal in of nabij de samenwerkende basisschool is gehuisvest. Als een basisschool in de toekomst nieuwbouw pleegt of wordt verplaatst, moet ook de huisvesting van de samenwerkende peuterspeelzaal daarop worden afgestemd.
Conclusie
Het plan voorziet onderwijsvoorzieningen waaronder een basisschool, BSO en crèche. In totaal is 3.200 – 4.700 m2 BVO hiervoor opgenomen. Het plan voldoet aan de nota Haagse richtinggevende normen voor maatschappelijke voorzieningen en groen 2024 (RIS317835). Hiermee past het plan ook binnen de kaders van Haagse Educatieve Agenda 2018 – 2022. In Hoofdstuk 5 is een uitgebreide beschrijving opgenomen.
De stad Den Haag moet verdichten, vergroenen en verduurzamen om aan toekomstige verwachtingen te voldoen (Agenda Ruimte voor de stad RIS295016). Het verdichten is nodig om de huidige en toekomstige woningnood op te vangen. Om dat nu en in de toekomst leefbaar te houden is vergroenen en verduurzamen nodig. Zo heeft de gemeente het streven om in 2030 een klimaatneutrale en klimaatadaptieve stad te zijn. Om dit te kunnen realiseren zijn structurele aanpassingen nodig in de manier waarop er wordt gebouwd. Voor nieuwbouw gelden daarom hoge duurzaamheidsambities. Gebouwen moeten een lange levensduur hebben, zuinig zijn in gebruik en opbouw zijn en bestand zijn tegen toekomstige klimaatveranderingen. Bovendien moeten onderdelen en materialen na de levensduur hergebruikt kunnen worden.
De Nota Duurzaamheid “Schone energie in een groene stad” (RIS301829) beschrijft op hoofdlijnen hoe Den Haag de energievoorziening, leefomgeving, mobiliteit en het grondstoffengebruik toekomstbestendig wil maken. In dit hoofdstuk komen de verschillende thema's aan bod en worden de relevante beleidsnota's beschreven. Het gaat respectievelijk om de thema's: energie, leefomgeving (groen, klimaatadaptatie, gezondheid en milieu), mobiliteit en grondstoffen/circulariteit.
Conclusie
Het plan past binnen de kaders van de nota duurzaamheid. De duurzaamheidsaspecten in het plangebied zijn opgenomen in paragraaf 4.10. Aanvullend wordt in paragraaf 4.4 nader ingegaan op mobiliteit, in 4.8 op het warmtesysteem en in 4.9 op afval en logistiek.
Het gemeentelijke sportbeleid “Den Haag sportief in beweging. Sport maakt Den Haag sterker 2015-2030” (RIS 295332)is gericht op het creëren van een optimaal sportklimaat, zodat zoveel mogelijk Hagenaars regelmatig, intensief, verantwoord, en op een prettige manier kunnen sporten. De voorkeur van de gemeente gaat daarbij uit naar sportbeoefening in georganiseerd verband.
De gemeente wil de kwaliteit van het sportaanbod verhogen door:
De gemeente wil de bestaande sportvoorzieningen in de wijk behouden. Haar sportbeleid overlapt het groenbeleid daar waar sport buiten plaatsvindt. Het gaat dan niet alleen om sportvelden en buitensportaccommodaties maar ook om parken, pleinen en straten en grote groengebieden en water.
Conclusie
Het plan voorziet in de benodigde sportvoorzieningen. Het plan voldoet aan het gemeentelijke sportbeleid en de nota Haagse richtinggevende normen voor maatschappelijke voorzieningen en groen 2024 (RIS317835). In paragraaf 4.3.6 is het programma voor maatschappelijke voorzieningen, waaronder sportvoorzieningen nader toegelicht.
Met het toevoegen van woningen alleen, creëren we nog niet de aantrekkelijke inclusieve en levendige stad die we voor ogen hebben. De nieuwe bewoners hebben ook behoefte aan passende stedelijke voorzieningen. De vraag naar onderwijs, sport, cultuur, groen, zorg, welzijn en andere soorten voorzieningen zal blijven toenemen naarmate er inwoners in Den Haag bijkomen. Ruimtelijk willen we voorzieningen toevoegen waar de vraag toeneemt. Bovendien moet het voorzieningenaanbod divers en van hoog niveau zijn om aan te sluiten bij de verschillende wensen en behoeften van bestaande en nieuwe gebruikers. Iedereen moet gebruik kunnen maken van faciliteiten passend bij de eigen levensstijl en het liefst ook op een prettige afstand. Dit is van cruciaal belang voor het functioneren en de aantrekkelijkheid van Den Haag.
De nota Haagse referentienormen maatschappelijke voorzieningen (RIS307513) geeft richtinggevende oppervlaktes voor diverse voorzieningen welke als uitgangspunt gehanteerd worden bij de start van gebiedsontwikkelingen en grootschalige projecten Hierbij gaat het om primair en voorgezet onderwijs, sport, zorg en welzijn, kunst en cultuur, maar ook voldoende speelveldjes, en gebruiksgroen in de openbare ruimte om te sporten. De referentienormen zijn niet bedoeld als bindende norm. Wel zijn ze bedoeld om bij gebiedsontwikkelingen aan de voorkant globaal onderbouwde ruimte- en investeringsclaims te kunnen doen (RIS307513, p. 5). Toepassing van de normen op individuele bouwprojecten heeft zijn beperkingen, omdat veel voorzieningen op een hoger schaalniveau (buurt, wijk of stadsdeel) worden georganiseerd. Inzet is om voldoende aanbod op het juiste schaalniveau te realiseren, gekoppeld aan de grote gebiedsontwikkelingen.
Om inzichtelijk te krijgen of in voldoende voorzieningen wordt voorzien is een voorzieningenonderzoek CID (RIS316628) uitgevoerd. Met het voorzieningenonderzoek wordt inzicht gegeven in de additionele behoefte (in vierkante meters) aan maatschappelijke en commerciële voorzieningen in het CID. De basis voor het bepalen van de additionele behoefte aan maatschappelijke voorzieningen zijn de Haagse richtinggevende normen maatschappelijke voorzieningen en groen 2024 (RIS317835). Voor het bepalen van de additionele behoefte aan commerciële voorzieningen zijn dichthedenanalyses gebruikt. Het onderzoek wordt elk jaar herijkt op basis van de verdere uitwerking van het CID. Voor het in kaart brengen en monitoren van de druk op bestaande voorzieningen monitort de gemeente Den Haag met een 2-jaarlijks update van Integrale Huisvestingsplannen voor Zorg & Gemeente Den Haag.
Om de voortgang van het plan Laakhaven Centraal en andere planvoornemens in het CID te monitoren, en de uitgangspunten en aannames die bij de uitgevoerde onderzoeken zijn toegepast, door de jaren heen te evalueren, wordt een uitgebreide monitoring opgezet. Doel hiervan is om, naast het controleren van de aannames en de analyses, ook zo nodig aanvullende maatregelen te kunnen nemen, of zo nodig aanpassingen van planvoornemens of fasering daarvan te kunnen besluiten. De monitoring wordt vergelijkbaar qua opzet met de werkwijze van de monitoring van het MER van de Rotterdamse Baan, waar in afgelopen jaren veel ervaring mee opgedaan is. De systematiek en invulling van de onderzoeksopgave van het MER is daarmee bepalend voor de opzet en inhoud van de monitoring. Op die wijze kan systematisch en consequent gemeten, getoetst en beoordeeld worden.
De basis wordt gelegd door zorgvuldig bij te houden welk programma (wonen en andere functies) is toegevoegd en/of is verdwenen. Op basis hiervan kunnen bijvoorbeeld verkeersmodellen worden geactualiseerd en kunnen uitkomsten hiervan vergeleken worden met prognoses, aannames en tellingen. Daarmee kunnen ook de daaruit voortvloeiende (grijze) milieueffecten gemonitord worden. Ook andere effecten als druk op voorzieningen en beschikbaarheid van groen kunnen op deze wijze periodiek worden beoordeeld. Hiervoor worden jaarrapportages CID opgesteld en om de 4 jaar een programmaplan CID. Ook deze monitoring draagt bij aan het niet overvragen van de omgeving door de bouwplannen in het CID.
Conclusie
In dit plan is rekening gehouden met de benodigde maatschappelijke voorzieningen. Het plan voldoet aan de nota Haagse richtinggevende normen voor maatschappelijke voorzieningen en groen 2024 (RIS317835). In paragraaf 4.3.6 is het programma voor maatschappelijke voorzieningen nader toegelicht.
De plannen voor Laakhaven Centraal zijn onderdeel van het Toekomstplan Laakhavens Hollands Spoor. Het Toekomstplan Laakhavens Hollands Spoor vloeit voort uit eerder vastgesteld beleid, waaronder de Structuurvisie CID (RIS 307135), het Kwaliteitsplan CID Den Haag (RIS 314594) en de Gebiedsagenda College Campus (RIS 301329).
Het gebied Laakhavens Hollands Spoor is op te delen in vier deelgebieden: Laakhaven Centraal, Spoorzone Hollands Spoor (hierna: Spoorzone HS), Campuskwartier en Schipperskwartier. Ze zijn met elkaar verbonden door de historische structuur van het voormalige havengebied, maar kenmerken zichzelf door een eigen dynamiek die in de loop der jaren is doorlopen. In afbeelding 4.1 zijn de verschillende deelgebieden opgenomen.
Afbeelding 4.1 Deelgebieden Laakhavens Hollands Spoor
Het Toekomstplan bestaat uit: de Ontwikkelvisie Laakhavens Hollands Spoor (RIS 31182), het Beeldkwaliteitsplan Laakhavens Hollands Spoor (RIS 319121), het Buitenruimteplan Laakhavens Hollands Spoor en de Ontwikkelstrategie Laakhavens Hollands Spoor. Deze vier documenten tezamen geven richting aan de gebiedsontwikkeling Laakhavens Hollands Spoor en vormen een toetsingskader voor ontwikkelingen binnen het gebied (zie afbeelding 4.2).
Afbeelding 4.2 Overzicht gemeentelijke beleidskaders
In de ontwikkelstrategie Laakhaven Hollands Spoor is een ruimtelijk ontwikkelkader opgenomen. Hierin zijn ruimtelijke en stedenbouwkundige kaders opgenomen voor de gebiedsontwikkeling Laakhaven Centraal. Het betreft een verdere uitwerking van de globale kaders die reeds zijn meegegeven in de Structuurvisie CID, het Kwaliteitsplan CID en de Ontwikkelvisie Laakhavens Hollands Spoor. Het ruimtelijk ontwikkelkader bestaat uit: 1) een ruimtelijk raamwerk, 2) een beschrijving van de belangrijkste principes van de openbare ruimte, 3) een ruimtelijk programmatisch massamodel en stedenbouwkundig raamwerk en 4) een indicatieve plintenkaart.
Laakhavens Hollands Spoor zal de komende 20 jaar worden ontwikkeld tot een bruisend, groen hoogstedelijk woonwerkmilieu met ruimte voor onderwijs, ondernemerschap, en verblijf. Om een duidelijke sturing en ordening te geven in de wijze waarop de verschillende planonderdelen met elkaar samenhangen is een ruimtelijk raamwerk gemaakt (zie raamwerkkaart). Hierin zijn de openbare ruimte en de begrenzing van ontwikkelplots opgenomen. Het ruimtelijk raamwerk borduurt voort op de lange lijnen uit het Kwaliteitsplan CID en verbindt Laakhavens Hollands Spoor met de rest van Den Haag. Daarnaast geeft het ruimtelijk raamwerk de locaties aan waar binnen Laakhavens Hollands Spoor ontwikkeling kan plaatsvinden.
Afbeelding 4.3 Ruimtelijk raamwerk
De zes ruimtelijke principes voor de openbare ruimte, die de structuur van de openbare ruimte bepalen, gaan over het versterken van de verbinding van het gebied met de omliggende stad en het realiseren van plekken van ontmoeting in de parken, pleinen en kleinere plekken. Deze principes worden in het Buitenruimteplan verder uitgewerkt.
Afbeelding 4.4 Principes openbare ruimte Laakhavens Hollands Spoor
Voor Laakhavens Hollands Spoor is, in samenhang met het ruimtelijk raamwerk, een ruimtelijk programmatisch massamodel opgesteld. Het massamodel biedt de flexibiliteit om de massa in te vullen met programma, maar op enkele onderdelen kaderstellend, zoals qua opbouw, hoogte en positionering van het programma. Deze zijn uitgewerkt in planregels bij dit TAM-Omgevingsplan.
Afbeelding 4.5: Ruimtelijk programmatisch massamodel
Voor de ontwikkelplots in het gebied zijn bouwregels uitgewerkt. Deze zijn opgenomen in de onderstaande afbeelding. De bouwregels bestaan o.a. uit maximaal toegestane bouwhoogtes (voor de hoogbouw en de stedelijke laag), rooilijnen, regels over terugspringende gevels en uitkragingen. Deze zijn uitgewerkt in planregels bij dit TAM-Omgevingsplan.
Afbeelding 4.6: Stedenbouwkundig raamwerk (uitsnede Laakhaven Centraal)
Stedelijke laag
De stedelijke laag vormt de basis voor het opbouwen van de massa en bedraagt circa 25 meter, met hoogteaccenten tot 35 m. Onderdeel van de stedelijke laag is de plint (circa 9 meter). Deze vormt de aanhechting met de openbare ruimte.
Hoogbouw laag
De torens van Laakhavens Hollands Spoor zullen de skyline veranderen. Er wordt gestuurd op een duidelijk afleesbare structuur binnen het gebied. De hoogbouw laag betreft betrekking op de torens binnen het gebied met een bouwhoogte hoger dan 35 m. Deze hoogteaccenten zijn vastgelegd in de planregels.
Indicatieve plintenkaart
Voor de hoogte van de plinten van de bouwblokken zijn regels opgenomen. Door de plint te parcelleren en op te knippen in kleinere stukken ontstaan een grote diversiteit aan ruimte met verschillende maten en karakters. Er zijn verschillende invullingen denkbaar verdeeld over de begane grond en de eerste verdieping. Om sturing te geven aan de plintinvulling is een indicatieve plintenkaart ontwikkeld. De plintenkaart zorgt ervoor dat het programma op de juiste plekken landt. De basisprincipes zijn hieronder opgenomen.
Wonen
- Niet-woonfuncties moeten in principe in de plint worden gerealiseerd, tenzij anders in de regels is bepaald.
- Er mogen geen woningen op de begane grond (voordeuren) worden gerealiseerd, behoudens aangewezen locaties.
Bedrijfsruimte (BOG)
- Bij gestapelde werkgebouwen (o.a. plots Taalplein, Verheeskade en Tankstation) mag BOG naast in de plint ook voor een deel in de stedelijke laag.
- BOG in de stedelijke laag moet goed toegankelijk zijn vanaf de plint (denk bijvoorbeeld aan goederenliften).
- Een deel van de bedrijfsruimten is betaalbaar voor startende ondernemers, innovatie en creatieve bedrijvigheid.
Parkeren
- Fietsparkeren moet in principe op -1 of op de verdieping, tenzij anders overeengekomen. Dit om voldoende ruimte te houden voor het creëren van een levendige plint.
Afbeelding 4.7 Indicatieve plintinvulling (uitsnede Laakhaven Centraal)
Binnen de stedelijke bouwlaag wordt vooral gestuurd op het toevoegen van economisch- en maatschappelijk programma in combinatie met entrees, collectieve ruimtes en lobby’s behorende bij het woonprogramma. In de hoogbouwlaag wordt vooral gestuurd op wonen.
In deze paragraaf wordt het programma voor Laakhaven Centraal nader toegelicht. Het betreft een nadere uitwerking van het globale programma wat is opgenomen in de ontwikkelstrategie Laakhavens Hollands Spoor. Het programma bestaat uit diverse programmaonderdelen: wonen, werken en bedrijvigheid, commercieel en maatschappelijk.
Het programma voor Laakhaven Centraal is op plotniveau uitgewerkt. Bij diverse plots wordt een (minimale en/of maximale) bandbreedte aangegeven, zodat bij de verdere uitwerking van de plannen voldoende flexibiliteit (schuifruimte in de programmering binnen plots) ontstaat om binnen de planhorizon van deze gebiedsontwikkeling (circa 20 jaar) rekening te kunnen houden met gewijzigde inzichten en veranderende marktomstandigheden. Het programma is juridisch vertaald in de planregels van dit TAM-Omgevingsplan (zie Hoofdstuk 7). Hierbij is rekening gehouden met het ruimtelijk raamwerk, het massamodel, de bouwregels en de indicatieve plintenkaart. Ook is enige flexibiliteit opgenomen, zoals inspringend gevels, hoogteaccenten en uitwisselbaarheid van functies binnen ontwikkelplots om in te spelen op gewijzigde marktomstandigheden.
Het CID-gebied wordt door een toename van minimaal 25.000 arbeidsplekken en ongeveer 20.500 woningen met alle benodigde economische en maatschappelijke voorzieningen verdicht en versterkt. Voor het Central Innovation District, waar LHC onderdeel van uitmaakt, is de structuurvisie CID 2040 vastgesteld. Bij de structuurvisie is voor Laakhavens en Hollands Spoor een programma van 9.000 woningen, circa 220.000 m2 bvo ander programma (maatschappelijk, commercieel, kantoren) onderzocht. Laakhaven Centraal is daar onderdeel van. In de Ontwikkelvisie “Dynamisch Laakhaven” (2022), dat ook onderdeel uitmaakt van het Toekomstplan (zie afbeelding 3.2), is voor Laakhavens ditzelfde programma opgenomen.
Het in dit TAM-plan opgenomen programma wijkt daarvan af. Dit heeft meerdere redenen. Ten eerste vanwege de aanvullende voorwaarden van het ruimtelijk raamwerk, het massamodel, bouwregels en de indicatieve plintenkaart. Ten tweede ook omdat nog niet voor alle kavels binnen Laakhavens programma wordt geprogrammeerd in dit TAM-omgevingsplan. En ten derde omdat Verheeskade fase 1 door middel van een separate procedure (BOPA) planologisch mogelijk wordt gemaakt.
In de onderstaande tabel zijn de maximale bandbreedtes voor de diverse functies weergegeven in Laakhaven Centraal. Deze zijn gebaseerd op de schuifruimtetabel uit de ontwikkelstrategie.
| Functie (activiteit) | Maximaal programma* |
| Wonen (aantal) | 6.086 |
| Retail I (woonwinkels) | 14.000 |
| Retail II (supermarkten) | 4.500 |
| Retail III (niet dagelijkse) | 5.250 |
| Kantoren | 29.000 |
| Dienstverlening | 2.166 |
| Leisure | 10.700 |
| Horeca | 6.664 |
| Bedrijf BOG | 26.000 |
| Basisonderwijs | 4.700 |
| Zorg en Welzijn I (o.a. 1e lijns zorg) | 5.000 |
| Zorg en Welzijn II | 1.750 |
| Cultuur & Bibliotheek | 5.800 |
| Sport | 3.600 |
| Overig maatschappelijk | 2.700 |
Afbeelding 4.8 Programmatabel Laakhaven Centraal (maximum) *) programma excl. Verheeskade 1
N.B. Aangezien een deel van plot 1 en de 1e fase van de Verheeskade 1 geen onderdeel uitmaken van het TAM-Omgevingsplan zijn deze metrages af te trokken van de maximale m2 programma uit de schuifruimtetabel.
In de planregels is door gebruik te maken van bouwvlakken met een minimum en maximum programma het programma over de verschillende plots verdeeld. Hierbij is gebruik gemaakt van de opgenomen metrages in de schuifruimtetabel van de ontwikkelstrategie. Het aan 'Leisure' toegewezen programma in de programmatabel is in de planregels vertaald als culturele- en sportactiviteiten. Daarnaast is het aan Zorg en Welzijn toegewezen programma in de programmatabel is in de planregels vertaald als maatschappelijke activiteiten.
In onderstaande afbeelding zijn de genummerde bouwvlakken opgenomen. Deze wijken af van de nummering van de ontwikkelplots uit de ontwikkelstrategie. Ter verduidelijking is de nummering van de ontwikkelpots (plot + nummer) toegevoegd in de onderstaande afbeelding.
Afbeelding 4.9 Genummerde bouwvlakken
Het beleid voor wonen is opgenomen in de Woonvisie Den Haag 2040 (RIS319812). Hiermee wordt ingezet op voldoende nieuwe woningen in Den Haag, zodat iedereen een fijne en betaalbare plek heeft om te wonen. De woonvisie vormt samen met de Structuurvisie CID en de Ontwikkelstrategie Laakhavens Hollands Spoor de basis voor wat betreft de verdere uitwerking van het woningbouwprogramma in Laakhaven Centraal.
Doelgroepen
Laakhavens Hollands Spoor biedt ruimte aan diverse doelgroepen: studenten, starters, doorstromers/samenwoners, stedelijke gezinnen, emptynesters, zorgdoelgroepen en ouderen. Het is de plek waar wooncarrières beginnen, maar waar ook ruimte is voor de vervolgstap in die wooncarrière. In vergelijking met de bevolkingsopbouw van Den Haag gaat het om relatief veel jongeren, maar ook mensen van middelbare en oudere leeftijd komen in Laakhavens Hollands Spoor te wonen.
Programmering
In Laakhaven Centraal wordt een gemengd woonprogramma voor verschillende doelgroepen gerealiseerd zoals studio’s, appartementen en zorgwoningen. We bouwen een groot deel betaalbare woningen, omdat dat aansluit bij de woonbehoefte en het profiel. Hierbij wordt aangesloten bij de woonvisie en daarin benoemde actielijnen. De belangrijkste actielijnen zijn hieronder toegelicht.
Afbeelding 4.10 Woonprogrammering
Betaalbaarheid (actielijn 3 woonvisie)
Bij de woningbouwprogrammering wordt aangesloten bij het gemeentelijke woonbeleid. Dit betekent dat de volgende prijssegmenten gerealiseerd dienen te worden:
De 30% sociale woningen dienen gerealiseerd of geëxploiteerd te worden door woningcorporaties. De helft hiervan (15%) mag een studentenwoning zijn, dit ter ondersteuning van het campusprofiel. Minimaal de helft van de studentenwoningen wordt gerealiseerd met een gemeenschappelijke keuken (zoals bijvoorbeeld het STING concept van DUWO).
Binnen het middensegment (20% betaalbare koop en 20% middenhuur) is conform de regels uit de Woonvisie 2040 verschuiving tussen huur en koop mogelijk met een ondergrens van 10% voor deze segmenten. Vrije sector woningen kunnen zowel koop- als huurwoningen zijn. Hier geldt geen ondergrens voor het aandeel per eigendomscategorie.
Kwaliteit van de nieuwbouw (actielijn 4 woonvisie)
Er wordt ingezet op een gedifferentieerd woonprogramma. Maximaal 20% van de woningen mogen kleiner zijn dan 40 m2 GBO en minimaal 15% dient ruimer te zijn dan 75 m2 GBO. Deze percentages zijn exclusief studentenwoningen.
Innovatieve woonvormen (actielijn 8 woonvisie)
Een deel van de woningen (vrije keuze binnen segmenten, 2% op het totaal aantal woningen) wordt ontwikkeld als innovatieve woonvorm in lijn met de woonvisie en het Stimuleringsplan innovatieve woonvormen (RIS316966). Het gaat hierbij om bijvoorbeeld collectieve woonvormen en groepswonen. Dit vanwege de grote behoefte aan dergelijke concepten in Den Haag.
Zorgwoningen (actielijn 3 woonvisie)
De vraag naar zorgwoningen, en daaraan gerelateerde ouderenwoningen is groot in Den Haag. Bij Laakhaven Centraal wordt daarom ingezet op 230 zorgwoningen/ geclusterd wonen voor inwoners met een zorgindicatie. Deze zijn ook verankerd in de regels.
Uitwerking programma wonen
Hieronder is een tabel met woningaantallen opgenomen waarin voor de ontwikkelplots een bandbreedte is opgenomen om flexibiliteit ten aanzien van het aantal woningen te creëren. Tevens is een tabel met de woonsegmentering opgenomen waarin de uitgangspunten staan voor het woonprogramma naar woningtype, doelgroep, oppervlakte en prijssegmentering.
Plannen van ontwikkelaars dienen per ontwikkelaar in principe te voldoen aan de opgegeven bandbreedtes en de woonsegmentering vanuit de woonvisie. Voor Laakhaven Centraal is een richtlijn opgesteld voor wat betreft de verdere uitwerking van de woonsegmentering (zie tabel 4.12). Voor wat betreft woonsegmentering is onderlinge uitruil tussen ontwikkelaars toegestaan, zolang op gebiedsniveau aan regels voor woonsegmentering wordt voldaan.
| Functie (activiteit) | Totaal | Plot | |||||
| Functie (activiteit) | (Aantal) | 1 | 2, 3, 4, 5, 6, 7 | 8 | 9, 10 | 11, 13 | 16, 17, 18 |
| Wonen (min) | 5.536 | 0 | 2.000 | 400 | 150 | 1.200 | 1.456 |
| Wonen (max) | 6.086 | 330 | 2.100 | 500 | 300 | 1.400 | 1.456 |
Afbeelding 4.11 Totaal aantal woningen Laakhaven Centraal met onderverdeling per plot (excl. verheeskade fase 1)
Afbeelding 4.12: Woonsegmentering Laakhaven Centraal
Collectiviteit in en nabij gebouwen
Voor de woningbouwprogrammering wordt, in lijn met de Nota Haagse Hoogbouw (RIS 322705) ingezet op het realiseren van voldoende ontmoetingsmogelijkheden in en nabij woongebouwen. Dit is in lijn met één van de kernwaarden van Laakhavens Hollands Spoor uit het gebiedsprofiel: ontmoeten. Deze ontmoetingsruimtes (plint, verdiepingen, daktuin, bovenin) kunnen in de volgende verschijningsvormen:
In de Nota Haagse Hoogbouw is opgenomen dat 3% van het totale BVO programma als collectieve ruimte gerealiseerd dient te worden. Afwijken van deze norm is alleen mogelijk met een goed onderbouwd concept en dient ter beoordeling aan de gemeente te worden voorgelegd.
In de Economische Visie Den Haag+ 2030 (RIS303550) is opgenomen dat structureel wordt ingezet op meer banen in Den Haag en de regio. Dit is nodig omdat de bevolking flink groeit en om te zorgen dat Den Haag economisch en sociaal-maatschappelijk op peil blijft. Om voldoende ruimte voor werken te borgen is beleid opgenomen in het Programma Bedrijfshuisvesting (RIS318691).
Laakhaven Centraal is momenteel al een belangrijk gebied voor de Haagse economie en huisvest een groot aantal bedrijven. De ambitie is om het gebied uit te laten groeien tot een evenwichtige stadswijk met een gezonde woon-werkbalans, waarbij bedrijfsruimte terugkomt in een vorm die past bij stedelijk wonen. Om deze ambitie mogelijk te maken zal, vanwege het gewijzigde perspectief voor een hoogstedelijk woon-werkmilieu enerzijds ruimte gerealiseerd moeten worden voor een nieuwe type bedrijvigheid binnen Laakhavens Centraal, maar ook buiten het gebied gezocht moeten worden naar locaties waar (zwaardere) bedrijvigheid gehuisvest kan worden die niet goed inpasbaar is.
In het plan wordt, ondanks de diverse ruimteclaims, invulling geven aan de ambitie om zoveel mogelijk bedrijfsruimte binnen het gebied te behouden. Hierbij wordt ingezet op 21.000 tot 30.000 m2 BVO BOG. Hiervan is langs het spoor (plot 20 en 21) 1.000 tot 1.500 m2 BVO bedrijfsruimte met categorie 3.1 gereserveerd om zwaardere bedrijvigheid uit Laakhaven Centraal te kunnen uitplaatsen. Voor hogere milieucategorie bedrijvigheid vindt ook planologische compensatie plaats op de GAVI-Kavel (RIS 321166). Daarnaast is gezien het tekort aan ruimte voor bedrijvigheid in Den Haag een separaat plan van aanpak opgesteld voor andere locaties in de stad om ruimte voor de verplaatsingsvraag mogelijk te maken. Hiermee voldoet het plan aan de Economische Visie Den Haag+ 2030.
Doelgroepen
Laakhavens Hollands Spoor is vanwege de centrale ligging ideaal voor stadsverzorgende bedrijvigheid en een ander soort innovatie dan in de rest van het CID. Meer gericht op het stadsverzorgende, sociaal-maatschappelijk, (digitale) makers en creativiteit. Het is een plek van makers, doeners én denkers, wat past bij de omgeving. Het gaat om bedrijven die zich richten op innovatie, maken, vervoeren en repareren van dingen en helpen de stad draaiend te houden met een lokale blik. Het stimuleren van lokaal ondernemerschap en het daarvoor creëren van ruimte voor werk in onder andere de maakindustrie en circulaire economie is een belangrijke beleidsdoelstelling (RIS 303550 & RIS 311061). Hier komen nieuwe maakbedrijven voor de circulaire economie, onderhoudsbedrijven, creatieve industrie, technologiebedrijven, innovatieve makers en andere stadsverzorgende mkb bedrijven. Met als doel nauwe banden tussen bedrijvigheid, lokaal (praktijk)onderwijs en praktisch arbeidskapitaal in omliggende wijken.
Programmering
Het uitgangspunt voor bedrijfsruimte (BOG) is het terugbrengen van minimaal 21.000 tot 28.000 m2 BVO in Laakhaven Centraal. Hierbij gelden o.a. de volgende kaders:
Het is niet wenselijk om overal maximaal te willen mengen met bedrijvigheid en wonen. Daarnaast is het van belang dat de randvoorwaarden voor het goed kunnen functioneren van de bedrijvigheid op orde zijn, zoals de bereikbaarheid, laad- en losmogelijkheden en parkeren. Met name aan de randen van het gebied is ruimte voor midden- en kleinbedrijven. In de plinten en stedelijke lagen daarbinnen is de bedrijvigheid kleinschalig en meer hybride van aard (kantoorachtig). In het gebied is bedrijvigheid zichtbaar op de begane grond en door plekken voor experimenten. Hiervoor wordt ook specifiek ingezet op betaalbaarheid.
Uitwerking programma bedrijf onroerend goed (BOG)
In de tabel is het programma naar omvang en locatie gespecificeerd in het gebied. Voor enkele plots een (gezamenlijke) bandbreedte opgenomen om voldoende flexibiliteit te creëren.
| Functie (activiteit) | Totaal | Plot | ||||
| (m2 BVO) | 1 | 2, 3, 4 | 11, 13 | 16 t/m 18 | 20, 21 | |
| BOG (min) | 21.000 | 9.000 | 750 | 1.500 | 6.000 | 2.750 |
| BOG (max) | 26.000 | 10.000 | 1.000 | 2.000 | 7.000 | 6.000 |
Afbeelding 4.13 Programma bedrijf
| Nadere toelichting concept | Ontwikkelplots |
| Gestapeld werkgebouw met ruimte voor een thematisch bedrijfsverzamelgebouw voor makers (o.a. betaalbaar segment BOG). | 1 |
| Bedrijfsruimte langs de Verheeskade in de plint en stedelijke laag | 16, 17, 18 |
| In de plint langs het carrièrepad van Laakhaven Centraal naar de Haagse Hogeschool komt ruimte voor enkele kleinschalige units voor ambachtelijke bedrijven | 2, 3, 4 |
| Ruimte voor een bedrijfsverzamelgebouw met in de plint ook plek voor milieuhindercategorie 3.1 (1.000 -1.500 m2 BVO) | 20, 21 |
| Ruimte voor bedrijvigheid in de plint | 13 |
Afbeelding 4.14 Toelichting programma bedrijf
Sturing werkprogramma
De beschikbaarheid van (voldoende) aanbod bedrijfsruimte is een punt van aandacht. In de fasering is richting gegeven aan de volgorde van ontwikkeling van plots en het daar voorziene programma. Bedrijvigheid kan niet op alle plots worden gerealiseerd uit het oogpunt van (auto-) bereikbaarheid, dus de aangewezen plots zijn de plaatsen waar deze functie aan de orde is.
Op de plot tussen Taalplein en van der Kunstraat is een gestapeld ‘werkgebouw’ voorzien, waarmee een grotere concentratie van bedrijfsruimte kan worden gerealiseerd, dan bij beperking tot aanbod op ‘straatniveau’. De bedrijvigheid die zich hier kan vestigen zal dan ook minder afhankelijk (moeten) zijn van ontsluiting vanaf straatniveau c.q. direct vanuit het openbaar gebied.
De financiële bereikbaarheid zal worden gegarandeerd door sturing op het maximaal (betaalbaar) en marktconforme huurprijsniveau. Het bereikbaar maken en houden van bedrijfsruimte voor startende en jonge ondernemingen is een belangrijk doel van de gebiedsontwikkeling. Door middel van de plintenstrategie borgen we de betaalbaarheid op lange termijn in een deel van de plinten. Hiervoor wordt een plintenconvenant gesloten.
Laakhavens Hollands Spoor is een van de plekken in de stad waar we inzetten op ruimte voor werken, leren en innoveren (RIS320715). Laakhavens Hollands Spoor biedt kansen voor praktische beroepen, innovatieve bedrijven en studenten die ondernemerschap willen ontwikkelen of praktijkervaring willen opdoen. Laakhavens Hollands Spoor onderscheidt zich binnen het CID als dé plek waar stadsverzorgende & maakindustrie en kennisintensieve sectoren samenkomen, met ruimte voor zowel grote bedrijven als kleinschalige initiatieven. Dit kan tot waardevolle combinaties kan leiden. De combinatie van internationale aantrekkingskracht en lokale kansen maakt het gebied uniek binnen CID en Den Haag.
Rond station Hollands Spoor ontstaat een toplocatie voor kantoren en ontmoetingsplekken, in lijn met de Structuurvisie CID en de Haagse Kantorenstrategie (RIS300807). Dit gezien de samenkomst van de strategische ligging en uitstekende bereikbaarheid, de toenemende stedelijke dynamiek met ook het aanwezige onderwijs en talent en het vergroten van de aantrekkelijkheid van de openbare ruimte en het vestigingsklimaat. De schaarste aan kwaliteitskantoren in het CID is de afgelopen periode verder toegenomen en vraagt om nieuwe (gemengde) ontwikkelingen.
Afbeelding 4.15: Werken, leren en innoveren in Laakhavens Hollands Spoor
Doelgroepen
HS onderscheidt zich van andere locaties in het CID en bedient een meer creatief segment voor startende, kleine als (middel)grote gebruikers. Hier heerst een no non-sense mentaliteit en is binnen het zakelijk segment het meest Haags. Hier wordt gewerkt aan digitale en technologische oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen, naast consumentgerichte en verzorgende bedrijven. De omgeving van HS kent de hoogste concentratie van IT-banen (2.300) binnen het CID. Met de aanwezige kennisinstellingen en IT-techbedrijven zijn er kansen om samen te werken aan digitale oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen in Den Haag, zoals duurzaamheid, gezondheid en kansengelijkheid (RIS320715).
Voor wat betreft doelgroepen liggen met name kansen rondom zakelijke dienstverlening, consumentgerichte bedrijven, creatieve industrie en Tech en IT. Het gaat om de banen van de toekomst in de ICT & creatieve sector gekoppeld aan digidigitalisering gedreven sectoren, zoals logistiek en belangenorganisaties. Gezamenlijk ontstaat zo een derde krachtig internationaal concurrerend business district binnen het CID. Door de vestigingen van de Haagse Hogeschool en ROC Mondriaan College heeft het gebied ook een lokaal en maatschappelijk karakter.
Programmering
De opgave voor kantoren is het zoveel mogelijk terugbrengen van bestaande kantorenmeters in Laakhaven Centraal en een netto groei direct rondom het station van 55.000 m2 BVO.
De te realiseren kantoren dienen toekomstbestendig te zijn. Dit betekent dat ze over grote vloeroppervlakken beschikken en de hoogste duurzaamheidsstandaard kennen. Kantoorverzamelgebouwen zijn daarnaast belangrijk, enerzijds voor bedrijven met een beperkte ruimtevraag maar die wel in een modern en marktconform kantoor gehuisvest willen zijn, anderzijds betaalbare onderkomens voor kleine, veelal startende ondernemers.
Uitwerking Programma Kantoren
De toplocaties direct bij het station kunnen meer huur generen en grotere partijen aantrekken (regio/hoofdkantoren). Verder weg van het station (heel Laakhavens Hollands Spoor is nog steeds op 15 minuten loopafstand) gaat het om kleinere gebruikers in verzamelgebouwen of partijen waarbij betaalbaarheid een grotere rol speelt. Ook is hier ruimte voor meer hybride vormen tussen bedrijfsruimte en kantoorruimte.
| Functie (activiteit) | Totaal | Plot | ||||||
| (m2 BVO) | 1 | 2, 3 | 6, 7 | 8 | 11, 13 | 16 t/m 18 | 20, 21 | |
| Kantoor (min) | 16.250 | 0 | 750 | 0 | 0 | 7.500 | 4.000 | 4.000 |
| Kantoor (max) | 29.000 | 0 | 1.000 | 1.000 | 5.000 | 10.000 | 6.000 | 6.000 |
Afbeelding 4.16 Programma kantoor
| Nadere toelichting concept | Ontwikkelplots |
| Multitenant verzamelgebouwen en/of single users in de stedelijke laag en hoger, mogelijk in combinatie met bedrijfsruimten, onderwijs of andere voorzieningen | 1, 8, 11, 13, 16, 17, 20, 21, 22, |
| Kleinschalige kantoorruimte in de plint (deels ook overlap met dienstverlening) | 2, 3, 6 |
Afbeelding 4.17 Toelichting programma kantoor
Compensatieplicht voor het onttrekken van kantoren
In verband met het tekort aan ruimte voor kantoren (RIS 300807 en RIS 308400) wordt terughoudend omgegaan met het onttrekken van kantoorruimten en geldt een compensatieplicht wanneer hier sprake van is. In Laakhavens Hollands Spoor zijn een aantal transformatieplannen eerder al goedgekeurd. Bij de overige transformaties van kantoren dient in het programma minimaal hetzelfde volume kantoorruimte terug te worden gebracht. Hiermee wordt gestuurd op het handhaven van de voorraad.
Sturen op minimale ondergrens
Er wordt gestuurd op een minimaal programma voor wat betreft bedrijfsruimte en kantoren per ontwikkelaar. Voor sommige ontwikkelaars is sprake van een compensatieplicht voor kantorenmeters. Verschuiving van kantorenmetrages tussen plots, bijvoorbeeld naar een plot gunstiger ten opzichte van het station, is mogelijk zolang de minimale metrage geborgd blijft.
Mogelijkheden bij aantrekkende vraag
In het programma voor Laakhaven Centraal is voor diverse plots een bandbreedte opgenomen. Hierdoor is het mogelijk om in te spelen op veranderende marktomstandigheden en kan, indien de kantorenmarkt aantrekt, extra kantoorruimte in het gebied worden gerealiseerd.
In Laakhaven Centraal ontstaat een nieuwe concentratie van woningen, waarmee de behoefte aan voorzieningen toeneemt. In de omliggende wijken zijn enkel kleinschalige voorzieningenclusters. Laakhaven Centraal speelt in op deze behoefte vanuit het gebied en de omliggende wijken door onder andere een wijkwinkelcentrum te realiseren.
Laakhaven Centraal krijgt een diverse mix van voorzieningen die talentontwikkeling, ontmoeting en beleving centraal stellen en inspelen op de behoefte van inwoners en de omgeving. (Innovatieve) vormen van sport, cultuur, ondernemerschap en winkelen zorgen voor een dynamische omgeving. Laakhaven Centraal krijgt een 16-uurs economie, waarin op bepaalde plekken ruimte is voor avond- en nachtleven. Horeca en actieve sport- en spelconcepten versterken de levendigheid en maken het gebied aantrekkelijk voor een brede doelgroep. Met dit aanbod ontstaat een aantrekkelijk klimaat, waar jong talent zich kan ontwikkelen.
De detailhandel zal zich voornamelijk concentreren rond plots 4 t/m 7 waar een winkelwijkcentrum wordt gerealiseerd. Hier is ruimte voor full-service supermarkten en ketens, maar ook voor lokale ambachtelijke winkeliers. In totaal wordt 3.000-4.500 m2 BVO dagelijkse detailhandel mogelijk gemaakt. Ook is hier circa 3.000-5.250 m2 BVO opgenomen voor niet-dagelijkse detailhandel . Ten slotte is hier ruimte opgenomen voor een woonwinkelcentrum van circa 10.000 tot 14.000 m2 BVO. In overige ontwikkelplots is geen of beperkt ruimte opgenomen voor detailhandel. In plot 17 is nog ruimte voor circa 500 m2 BVO niet-dagelijkse detailhandel.
Dagelijkse en niet-dagelijkse voorzieningen
Zoals vastgesteld in de kadernota Detailhandel (RIS300626) behoren Station Holland Spoor en de Megastores tot de hoofdwinkelstructuur, die behouden en versterkt moet worden. Het gebied is een belangrijke entree in de stad. Voorzieningen als horeca, cultuur, sport en ontmoeting zijn belangrijk om deze stadsentree te verlevendigen. De gefaseerde herontwikkeling van de Megastores biedt ruimte voor woningbouw, terwijl een vernieuwd wijkwinkelcentrum terugkeert, met een mix van supermarkten, dagelijkse winkeliers en niet-dagelijkse voorzieningen. Het wijkwinkelcentrum ontwikkelt zich richting een verblijf- en vermaakcentrum in combinatie met andere voorzieningen zoals horeca, zorg en welzijn en leisure. In winkelgebieden wordt meer lichte horeca toegestaan tot maximaal 30% van de panden zonder woonfunctie.
Woonwinkels
De Waldorpstraat wordt dé woonwinkelstraat waar bewoners interieur voor hun woning kunnen kopen. Door de ligging midden in de stad is dit een belangrijke voorziening voor de Haagse inwoners (RIS300626). De woonwinkels richten zich meer op binnenstedelijke concepten die gericht zijn op dienstverlening en beleven. Er is geen ruimte meer voor grootschalige cash-and-carry-formules, XL-winkels waar de consument direct voor de deur kan inladen.
Horeca
Gezien de nabijheid van de Haagse binnenstad, is het, in lijn met de Horecavisie (RIS288645) en Uitwerkingsplan Horeca (RIS308628), niet wenselijk om in Laakhavens Hollands Spoor een nieuw horecaconcentratiegebied voor de stad te ontwikkelen. De (nieuwe) horeca zal dan ook vooral een functie vervullen voor (toekomstige) bewoners van en bezoekers aan Laakhavens Hollands Spoor. Bij initiatieven voor vernieuwende/avontuurlijke horecaconcepten die zich in deze gebieden willen vestigen, wordt met de initiatiefnemer meegedacht of realisatie mogelijk is. Het doel is daarnaast om geen fastfood meer toe te laten in winkelgebieden. Daarnaast zal vanwege het relatief jonge karakter van de bewoners ook verkend worden welke mogelijkheden er zijn voor nachtcultuur. Dit is in lijn met de Nachtvisie (RIS319421), waarin het gebied is aangemerkt als beperkt kansrijk voor nachthoreca.
Voor de terrassen die gekoppeld zijn aan de horeca geldt, dat door het hoogstedelijke karakter van het gebied en het intensieve gebruik, aanvullende terrasregels wenselijk. Het gaat hierbij met name om het voorkomen van een wildgroei aan terras schotten, reclame-uitingen en het na sluitingstijd buitenlaten staan van terrasmeubilair. Een verdere uitwerking hiervan komt in het Buitenruimteplan.
Leisure en dienstverlening
Om in Laakhavens Hollands Spoor een centrummilieu te realiseren en het gebied verder op de kaart te zetten zijn aantrekkelijke leisure voorzieningen van groot belang. Zoals blijkt uit de Strategie Toerisme (RIS302975) is een aantal publiektrekkers nodig om reuring te krijgen.
Bij leisure gaat het om aan (indoor) actieve sport en spel, edu-tainment (combinatie van educatie en entertainment) en andere bijzondere concepten. Er worden ook combinaties gemaakt met kunst en cultuur. De focus ligt op leisure voorzieningen met een lokaal of regionaal verzorgingsgebied, maar bijzondere concepten die (inter)nationaal bezoek naar het gebied trekken zijn denkbaar, zoals een bijzondere leisure-trekker met edu-tainment, al dan niet in combinatie met horeca bij het park. Daarnaast kan een bijzonder concept op hoogte, in de kronen van hoogbouw, het gebied op de kaart zetten als aantrekkelijke bestemming en onderdeel van het CID.
Dit is voor een deel onder te brengen in een gemeenschappelijk cluster in combinatie met cultuur en maatschappelijke voorzieningen, daarbij denken we aan een foodcourt, leisure functies (bowlen, Jeu de boules, karaoke, VR), sportscholen en filmhuis dependance. Voor een aantrekkelijk woon- en vestigingsklimaat is tot slot een compleet pakket aan dienstverlening en (kleinschalig) wellness van belang. Het gaat om kleinschalige diensten die betrekking hebben op gezondheid en ontspanning.
Uitwerking commercieel programma
In de tabel is het programma naar concept, omvang en locatie gespecificeerd in het gebied.
| Functie (activiteit) | Concept | Omvang (m2) | Plot |
| Woonwinkels (retail I) | Binnenstedelijke woonwinkels, zowel compactere als grotere woonwinkels in de plint met verdieping langs de Waldorpstraat. Metrage naar wens aan te passen door dichtleggen vloeren, koppelen of splitsen van units. Het gaat om de volgende branches: babywoonwinkel, slaapkamer of bed, keukens, meubelen, woonwarenhuis, tapijten, keukens, badkamers, verlichting, parket/laminaat, tegels, wooninrichting, -textiel en decoratie, zonwering en doe-het-zelf. | 10.000-14.000 | 2 t/m 5 |
| Dagelijkse detailhandel (retail II) | In het wijkwinkelcentrum is ruimte voor full-service supermarkten en ketens, maar ook voor lokale ambachtelijke winkeliers Rondom het station en de campus van de Haagse Hogeschool zijn enkele dagelijkse voorzieningen gevestigd. Voor Holland Spoor geldt dat de winkels vooral gericht zijn op forensen, reizigers en werkenden/studerenden in het gebied. |
3.000-4.500 | 4 t/m 7 |
| Niet-dagelijkse detailhandel (retail III) | In het wijkwinkelcentrum is ruimte voor niet-dagelijkse detailhandel | 3.000-5.250 | 4 t/m 7, 17, 18 |
| Dienstverlening | Dienstverlening en (kleinschalig) wellness. Het gaat om diensten die betrekking hebben op gezondheid en ontspanning en inpasbaar zijn in de plint, gemiddeld 200 m² per unit. | 500-2.166 | 1, 2 t/m 7, 11, 13, 17 t/m 18 |
| Leisure | Combinatie met sporthal en cultuur cluster in multifunctioneel gebouw. Bij het park en verspreid in heel het gebied. In de plinten en op verdieping (o.a. rond winkelcentrum) |
6.000-10.700 | 2 t/m 8, 10, 11, 13, 17 t/m 18 |
| Horeca | Bij het toekomstig wijkwinkelcentrum (dag)horeca een belangrijke ondersteunende functie (koffietenten, lunchzaken en terrassen). Daarnaast (middelzware) horeca langs het park en de kades (terrassen, restaurants, cafés). En in combinatie met het sport- en cultuurcluster. |
2.600-6.664 | 2 t/m 8, 11, 13, 15, 17 t/m 18 |
Afbeelding 4.18 Programma commerciële dienstverlening
In deze paragraaf is een nadere uitwerking gegeven van het maatschappelijk programma dat is opgenomen in Laakhavens Hollands Spoor voor onderwijs, zorg- en welzijn, sport en overige functies. Het programma is gebaseerd op richtinggevende normen die zijn opgenomen in de nota Haagse richtinggevende normen voor maatschappelijke voorzieningen en groen 2024 (RIS317835). Hierbij is uitgegaan van maximaal 11.400 woningen. In de bijlage is een uitgebreide onderbouwing van het maatschappelijk programma in relatie tot de structuurvisie CID en het uitgevoerde voorzieningenonderzoek CID (RIS316628) opgenomen. Voor maatschappelijke voorzieningen in de openbare ruimte en groen wordt verwezen naar het buitenruimteplan.
Onderwijs
Basisonderwijs en ondersteunende functies
Voor onderwijs wordt met een ruimtereservering ingezet op een 1,5-lijns kindcentrum in 4 lagen waarbij de buitenruimte van de school en crèche/ BSO zich in het stadspark bevindt. Of de school (in zijn volledige omvang) nodig is zal bij volgende Integraal Huisvestingplannen Onderwijs duidelijk worden. Gelet op de wettelijke verplichting kan er geen tekort gepland worden. Daarbij geldt dat met de toekomstige fietstunnel naar de Schilderwijk binnen 350 meter al een school aanwezig is met nog capaciteit. Alleen de meters van de crèche worden van de openbare ruimte onttrokken. De school wordt tevens benut als brede buurtschool gelegen aan het stadspark. Omdat volwaardige sportvelden voor georganiseerde buitensport zich niet om de hoek bevinden, zal de school ook worden ingezet met sportveldjes in het park voor sport/spelcompetitie buiten schooltijd. Qua fasering wordt ingezet op een reservering verder weg in de tijd. Voor de eerstkomende periode wordt overcapaciteit van de omliggende wijken benut. Ook wordt de bereikbaarheid met de realisatie van de fietstunnel onder spoor uitstekend. Voor middelbare scholen geldt dat er voldoende in de buurt zijn en dat er voor de middelbare school op de Binckhorst (John Dewey College) ook uitbreiding wordt voorzien.
Hoger onderwijs/ Mondriaancollege
In Laakhavens Hollands Spoor zal het Mondriaancollege met ca 10.000 m2 worden uitgebreid. Hierbij wordt de Rode Kruiskavel als mogelijke locatie verkend. Dit valt echter buiten de scope van het voorliggend TAM-Omgevingsplan Laakhaven Centraal.
Zorg en Welzijn
Voor realisatie van een gezondheidscentrum wordt naar een locatie bij het winkelcentrum gezocht. Een apotheek en aanlandruimte voor dienstverlening en ontmoeting zal zich sowieso in de plint bevinden. Andere eerste en tweedelijnszorg voor de wijk kan ook op eerste verdieping landen. Hiermee is er zorg & welzijn dichtbij. Dagelijkse boodschappen, plek voor ontmoeting, gemeentelijke dienstverlening zitten bij elkaar.
Niet alle eerstelijnszorg zal in een cluster bij elkaar bij het winkelcentrum zitten. Fysio zal mogelijk in de plint elders bijvoorbeeld bij een fitnesscentrum terecht kunnen komen en hetzelfde geldt voor een tandartspraktijk, die ook terecht kan komen in een dienstverleningsplint op een andere plek. Dit aangezien deze functies ook qua uitstraling (afgeplakte raampartijen) niet erg aantrekkelijk zijn in de plint.
Daarnaast wordt een wijk- en buurtcentrum gerealiseerd nabij de school al dan niet met dienstverlening. Naast deze plek zijn andere locaties ook mogelijk. Afhankelijk van organisatiekracht kunnen combinaties gemaakt worden met buurtkamers of bijvoorbeeld een studentensociëteit. Voor een Centrum Jeugd en Gezondheid wordt op de huidige locatie op het stadsdeelkantoor Laak verkend en of daar op termijn uitbreiding op verdieping nodig is.
Kunst en cultuur en bibliotheken
Op de entreekavel (plot 8) zal een multifunctioneel kunst en cultuurgebouw met een dubbele sportzaal worden gerealiseerd. Het cultuurgebouw moet ruimte bieden aan maatschappelijke en culturele functies zoals een theater, bibliotheek, overige cultuur en horeca en leisure-activiteiten. De locatie ligt direct bij het winkelcentrum en bij de tramhalte, zodat de voorziening zowel voor het gebied als de omliggende wijken goed bereikbaar is. Voor de dubbele sportzaal zijn hierbij nog twee opties: of realisatie gezamenlijk met rest van multifunctionele gebouw of fasering later in de tijd. Met de laatste optie wordt beter aangesloten op de fasering van de sporthal op de Binckhorst.
Sport
Naast de dubbele sportzaal wordt ook een buitensportcluster aan de ‘achterkant’ van de Haagse Hogeschool gerealiseerd. Aan het water worden semi-openbare sportvelden gerealiseerd en de mogelijkheden voor een nieuwe watersportvereniging verkend. Daarnaast wordt gekeken naar een nieuw zwembad in de Binckhorst. Voor de sportvelden wordt ingezet op benutting van velden in Rijswijk en Vlietzone. De sportvelden zullen hierbij afgestemd worden op de behoefte van Laakhavens Hollands Spoor met ruimte voor studentensport
Overige functies
In de plint en vooral in de eerste laag dient er ruimte gereserveerd te zijn voor functies, die nu nog niet zijn te voorzien. Hiervoor is de inzet een gemengde bestemming. Denk hierbij aan gebedsruimte en een ambulancepost.
| Maatschappelijke voorzieningen | Functie (activiteit) | Omvang (m2) | Plots | |
| Zorg & Welzijn | Club- en buurthuis, Wijk- en buurtcentrum, Servicepunt XL | 1.750 | 9 en 10 | |
| Studentensociëteit, combinatie met buurtkamer | n.b.t. | 8 | ||
| Zorg en welzijn, eerstelijnszorg | 3.000 - 5.000 | 2, 3, 4, 5, 6, 7, 11, 13, 16 t/m 18 | ||
| Maatschappelijke opvang/beschermd wonen (50 eenheden). Valt onder woonprogramma | 1.750 | 9 en 10 | ||
| Cultuur & Bibliotheken | Cultuur & Bibliotheek | 5.500-5.800 | 8 | |
| Sport | 3.000 - 3.600 | 8, 9 en 10 | ||
| Basisonderwijs | Basisschool, BSO, Crèche | 3.200 - 4.700 | 9 en 10 | |
| Overig maatschappelijk | Restpost voor gebedsruimte, ambulancepost en overige voorzieningen | 0 - 1.500 | 2 t/m 7 | |
| Restpost voor gebedsruimte, ambulancepost en overige voorzieningen | 1.200 | 9 en 10 | ||
Sturing op maatschappelijke voorzieningen
Om te zorgen dat maatschappelijke voorzieningen gerealiseerd worden, worden ruimtes gereserveerd conform bovenstaande tabel. Deze reserveringen zijn voor voorzieningen waar de gemeente investeert in de ontwikkeling op eigen grond of te verwerven gronden. Voor de eerstelijns en tweedelijns zorgvoorzieningen is dit niet het geval. Hierbij kan publiekrechtelijk gestuurd worden op maatwerk functies en activiteiten, zodat er geen andere functies kunnen komen die wellicht meer opbrengen. Deels zal wel ingezet worden op flexibiliteit om ook ruimte te kunnen bieden aan behoeften die zich gedurende gebiedsontwikkeling aandient. De reserveringen zullen op basis van Integrale Huisvestingsplannen (IHP) en uitvoeringsplannen hiervan, omgezet worden in concrete plannen gebaseerd op de meest actuele bevolkingsdata. Wel zal vanuit deze ontwikkelstrategie -vooruitlopend op de uitvoeringsplannen- voor IHP commitment worden afgegeven op realisatie van een sport- en cultuurcluster.
De ambitie om van Laakhavens Hollands Spoor een kwalitatief hoogstaand gebied te maken krijgt gestalte door aan te haken bij het gemeentelijk beleid zoals vastgesteld in Strategie mobiliteitstransitie Den Haag 2022 – 2040 (RIS310664) en het gebied in te richten volgens het STOMP principe. STOMP staat voor Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobility as a Service en de Privéauto en geeft aan in welke volgorde er bij de inrichting van Laakhavens Centraal naar de inpassing van de verschillende soorten mobiliteit wordt gekeken. Alle modaliteiten krijgen hiermee een plek in de ontwikkeling van Laakhaven Centraal. Door het implementeren van het STOMP principe wordt Laakhaven Centraal een voetgangersvriendelijke wijk.
Voetganger als uitgangspunt
De voetganger is het uitgangspunt voor de ontwikkeling van Laakhaven Centraal. De voetganger kan door een netwerk van wandelpaden veilig door het gebied lopen. Door een uitgebreid netwerk van wandelpaden is Laakhaven Centraal verbonden met de stad. Bij de wandel- en fietsroutes wordt rekening gehouden met hitte en schaduw, om de routes naast veilig ook aantrekkelijk te maken.
Fietsen en fietsparkeren
Met de realisatie van de Velostrada over de Waldorpstraat wordt Laakhavens Hollands Spoor met een snelle directere verbinding verbonden met de Binckhorst, met Voorburg en Rijswijk en met de regio Leiden. Om het gebied leefbaar te houden met zo min mogelijk gestalde fietsen in de openbare ruimte wordt het parkeren van fietsen en scooters inpandig opgelost. Voor bewoners van het gebied geldt parkeren van fietsen zo dicht mogelijk bij de woning om het gebruik van de fiets zo makkelijk mogelijk te maken. Ook wordt de fietsenstalling toegankelijk en beter bereikbaar gemaakt dan de auto, onder andere door de fietsenstalling inpandig te situeren. Hierbij gaat de voorkeur uit om deze onder maaiveld of op de verdieping te realiseren, om voldoende ruimte over te houden voor een levendige plint. Voor de bezoekers van de woningen en functies zoeken we naar geclusterde fietsenstallingen die logisch aansluiten op de fietsroutes en de functies waarvoor ze bedoeld zijn. Alleen bij functies waar bezoekers maar kort verblijven worden kleinschalige voorzieningen in de openbare ruimte getroffen.
Autoverkeer en parkeren
Doorgaand verkeer wordt zoveel mogelijk geweerd. In lijn met de Structuurvisie CID wordt in Laakhaven Centraal het verkeer niet door het gebied, maar er omheen geleid. De Waldorpstraat wordt gedeeltelijk eenrichtingsverkeersweg, alleen de bus kan in twee richtingen rijden. In de binnengebieden is geen plek voor doorgaand autoverkeer. Alleen bestemmingsverkeer (en logistiek verkeer) wordt zeer beperkt toegelaten.
Parkeren vindt uitsluitend inpandig plaats en niet in de openbare ruimte. De bereikbaarheid wordt gewaarborgd met een beperkt aantal centrale collectieve parkeervoorziening(en). Hierdoor wordt het aantal entrees tot parkeerkeergelegenheid beperkt wat het binnengebied vrijhoudt van auto’s die op zoek zijn naar een parkeerplek. Door deze lage parkeernorm worden andere vormen vervoer (waaronder OV) gestimuleerd. Hiermee wordt de openbare ruimte het domein van de voetganger en kan hier de bij het centrummilieu passende hoogwaardige verblijfskwaliteit worden gerealiseerd. Parkeren voor doelgroepen zoals minder validen wordt zo dicht als mogelijk in de ontwikkelingen opgelost en zoveel mogelijk in de mobiliteitshub.
Mobiliteitshub
Om de verschuiving van de auto naar andere vormen van mobiliteit te stimuleren (mobiliteitstransitie) zal een centrale mobiliteitshub worden gerealiseerd. De hub biedt optimaal dubbelgebruik voor de verschillende functies en ruimte voor deelmobiliteit en andere modaliteiten, zoals bijv. fietsen. Er is niet voor elke nieuwe bewoner van het gebied een parkeerplek en dus toegang tot een eigen auto beschikbaar. Door de inzet van deelmobiliteit is het toch mogelijk voor elke bewoners om toegang te hebben tot automobiliteit wanneer nodig.
Het (ondergronds) parkeren is onderdeel van het ruimtelijk model Laakhaven Centraal. De kern van deze oplossing is een grote centrale mobiliteitshub die deels onder de Megastores en deels onder het park terecht zal komen. Kleinere parkeervoorzieningen in het gebied zijn functioneel met de centrale mobiliteitshub verbonden. Mogelijk dat in de toekomst ook de bestaande parkeergarage van het Campuskwartier aan het functionele systeem kan worden toegevoegd.
De ontsluiting van de centrale mobiliteitshub vindt plaats vanaf de Waldorpstraat, zodat het middengebied rond het centrale park autoluw blijft. Ook de kleinere voorzieningen worden zodanig ontsloten dat het middenterrein autoluw kan blijven. Gezien het feit dat de gebruikers van de centrale mobiliteitshub ook bewoners en bezoekers van de omliggende bebouwing zijn zal de governance en exploitatie van de mobiliteitshub nog nader (moeten) worden bepaald, met name om verder concreet invulling te geven aan de benoemde mobiliteitstransitie. In Laakhavens is geen parkeergelegenheid voor auto's in de buitenruimte. Er wordt voorzien in goede parkeervoorzieningen. Een stelsel van inpandige parkeergarages en mobiliteitshubs. Bestemmingsverkeer vindt een plek in deze voorzieningen met in- en uitgangen langs de Waldorpsstraat, Leeghwaterplein en Rijswijkseweg. Dit is verder geconcretiseerd in het buitenruimteplan.
Afbeelding 4.19: Mobiliteitshub Laakhaven Centraal en bestaande parkeervoorzieningen
Verkeerscirculatie
Op basis van de hiervoor beschreven principes is voor het gebied een Verkeerscirculatieplan op hoofdlijnen opgesteld, dat in bijgaande figuur is weergeven. Hierin is te zien dat door het consequent toepassen van de principes een leefbaar en aantrekkelijk binnengebied ontstaat vrij van doorgaand verkeer en gericht op de voetganger en fietser. Door het toepassen van een beperkt aantal lusjes voor bestemmingsverkeer zijn de gebouwen bereikbaar.
Afbeelding 4.20: Verkeerscirculatieplan Laakhavens Hollands Spoor
Voor Laakhaven Centraal is de groenstructuur uitgewerkt in het buitenruimteplan. Deze bestaat uit een centraal park en groenstroken langs de verschillende routes door het gebied. Het centraal gelegen park is een belangrijk oriëntatiepunt in het hele gebied en vormt de samenkomst van veel collectieve voorzieningen, ontmoeting en recreatie. Het park zal moeten gaan functioneren en ‘voelen’ als de meest kenmerkende ruimte van Laakhaven Centraal. Naast openbaar groen wordt ook ingezet op het vergroenen van daken en binnengebieden en in kleine straatjes.
Groennorm en kwaliteit
Conform de nota Haagse richtinggevende normen voor maatschappelijke voorzieningen en groen 2024 (RIS317835) geldt op gebiedsniveau voor het gehele CID de groennorm van 8 m2 groen/woning voor hoogstedelijk gebied. Verschillen per deelgebied zijn mogelijk conform Structuurvisie CID en Onderzoek voorzieningenprogramma CID (RIS307135). Monitoring en eventuele (bij)sturing van deze groennorm vindt plaats op CID niveau.
Voor Laakhaven Centraal is vanwege het hoogstedelijk karakter daarom de inzet om zoveel mogelijk kwalitatief groen in het gebied te realiseren, o.a. door het aanleggen van een centraal park. Hierbij is het streven dat zoveel mogelijk onverharde hoogwaardige groen buitenruimte in het park gerealiseerd kan worden waarbij het streven is dat niet meer dan de helft van het park zich op een parkeerdek bevindt.
Kwaliteitsaspecten om te betrekken zijn: bomenstructuur, klimaatadaptatie, biodiversiteit (met inzet op verscheidenheid aan bomen en bomen, die oud kunnen worden), sportieve en recreatieve routes om hard te lopen en te fietsen en ecologische netwerken in aansluiting op de stedelijke groene hoofdstructuur. Voor deze kwaliteitsthema’s zijn normen en ambities opgesteld binnen de gemeente, zie de bijlage. Overkoepelend uitgangspunt hierbij is groen, tenzij, zoals beschreven in de Nota Haagse richtinggevende normen (RIS317835), de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig (RIS308744) en in de Kadernota Openbare Ruimte (RIS310884).
Daarnaast wordt rekening gehouden met de afstand tot groen. De 3-30-300 regel is hiervoor maatgevend (RIS 317835). Vanaf elke woning zijn zoveel mogelijk 3 bomen zichtbaar. In elke buurt is minimaal 30% van het grondoppervlak bedekt met boomkronen en binnen 300 meter van elke woning is een verblijfsplek. Waar die afstand te groot is, is het streven om voor het gebied een plek aan te wijzen voor nieuw groen.
Voor Laakhaven Centraal is de waterstructuur uitgewerkt in het buitenruimteplan. Hierbij wordt aangesloten bij de vereisten vanuit het Hoogheemraadschap van Delfland en De Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig (RIS308745), als ook de Wateragenda Den Haag 2022-2025. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de ‘Weging van het waterbelang’.
Op dit moment kent Laakhavens verschillende knelpunten waar wateroverlast op straat ontstaat bij een bui van 70 mm. Het grote aantal dakoppervlakten en de vele verharding die afwatert op het hemelwatersysteem zorgt tijdens een piek voor overbelasting van het systeem. Slechts een deel van zo’n bui kan nu worden afgevoerd via hemelwaterafvoer naar het oppervlaktewater of riool. Door de relatief hoge grondwaterstanden is het bergend vermogen van water in de grondlaag beperkt. Deze beperkte ruimte is ook een aandachtspunt wat betreft de doorwortelbare ruimte voor bomen, aangezien wortels van bomen niet groeien in grondwater. Constructies en maatregelen die de grondwaterstanden kunnen verhogen zoveel mogelijk moeten worden beperkt.
Om het gebied toekomstbestendig te maken wordt vol ingezet op groen. Dit draagt bij aan verschillende doelen; klimaatadaptatie, welbevinden en uitstraling. Hiervoor wordt het principe van ‘groen tenzij’ toegepast en ontworpen voor robuust en duurzaam groen met goede groeiomstandigheden. De innovatieve openbare ruimte benut slimme technologie, circulaire materialen en efficiënt ruimtegebruik, zowel boven– als ondergronds. De boven- en ondergrond worden integraal ontworpen, zodat de ruimte optimaal wordt benut en alle ruimteclaims op een slimme manier kunnen worden ingepast. Op deze manier kunnen we de ambities op gebied van energietransitie, mobiliteitstransitie, klimaatadaptatie en vergroening waarmaken. Concreet wordt dit uitgewerkt door 5 maatregelen:
1) Water bergen in boven- en /of ondergrondse constructies
2) Afwateren op HWA, niet op groen
3) Groene infiltratie in combinatie met drainage
4) Tactisch bergen van water op straat
5) Creëren van meer wortelruimte
Water in de juiste hoeveelheid en van goede kwaliteit, is een belangrijke toegevoegde waarde voor een gebied. Te veel of te weinig water leidt tot problemen als wateroverlast, natte kelders en tuinen, paalrot en verzilting. Om te zorgen dat de inrichting van de fysieke leefomgeving en het watersysteem met elkaar samenhangen, bestaat de Weging Waterbelang van het Hoogheemraadschap van Delfland. Deze weging van het waterbelang is als bijlage aan de toelichting toegevoegd.
Aan deze weging moet voldaan worden bij een ruimtelijke ontwikkeling. Deze weging borgt dat ontwikkelingen geen negatieve impact hebben op het watersysteem (compensatie voor toename verharding) en dat de stad klimaatrobuust wordt ingericht. Daarnaast geldt onze eigen Haagse Wegwijzer Klimaatbestendig den Haag: bij nieuwbouw hanteren we de eis dat 50mm van een korte hevige bui van 70 mm in 1 uur op privaat terrein tijdelijk kan worden opgevangen en dat na minimaal 24 en maximaal 48 uur de bergingscapaciteit weer beschikbaar is. .
In de huidige situatie ligt de ondergrond van Laakhaven Centraal al behoorlijk vol met kabels en leidingen. Met de toekomstige ontwikkelingen zal dit kabel- en leidingennetwerk verder uitgebreid moeten worden. Onderdeel hiervan is ook de aanleg van een middenspanningsring die nodig is voor de stroomvoorziening van het gebied, maar ook het collectieve warmte- koudesysteem (zie paragraaf 4.8). Daarnaast dient rekening te worden gehouden met voldoende UMT masten.
Bij de uitwerking van de openbare ruimte in het buitenruimteplan is rekening gehouden met voldoende ruimte (in de wegprofielen) voor deze voorzieningen. Geschikte locaties voor UMTS-masten worden meegenomen bij de verdere uitwerking van de diverse ontwikkelingen in het gebied.
In 2021 heeft de gemeente via een aanbesteding een concessieopdracht verleend aan Eteck Energiebedrijven BV voor het ontwerp, de realisatie, financiering, onderhoud en exploitatie van een collectief warmtesysteem in Laakhavens. Op basis van deze concessie is Eteck 30 jaar lang verantwoordelijk voor de levering van warmte aan de nieuwbouw in het gebied, waarbij Eteck gebruik maakt van WKO-bronnen, aangevuld met thermische energie uit de Laakhavens (TEO) en luchtwarmtepompen. Daarmee kunnen in ieder geval de eerste (voor de komende 10 jaar) in Laakhavens Centraal geprogrammeerde nieuwe woningen (of Woningequivalenten) voorzien worden van warmte, koude en warm tapwater. Zo nodig zal het systeem met andere warmtebronnen worden uitgebreid waardoor alle beoogde nieuwbouw van warmte kan worden voorzien.
Om de bodemcapaciteit optimaal te benutten is in het Bodemenergieplan Laakhavens met warme en koude stroken vastgelegd waar WKO-bronnen mogen komen. In de collectiviteitseis is geregeld dat WKO-posities in Laakhavens uitsluitend vergund worden ten behoeve van het collectieve systeem. Op grond van het warmteplan Laakhavens is alle nieuwbouw in het gebied in principe verplicht om aan te sluiten op dit collectieve systeem, tenzij een minimaal even duurzaam alternatief wordt gerealiseerd.
Om het warmtesysteem te realiseren is ruimte nodig voor bronnen en leidingen in de ondergrond. In het buitenruimteplan is een verdere uitwerking van de inpassing van het warmtesysteem opgenomen. In gebouwen en op daken moet ruimte gereserveerd worden voor installaties, leidingen en pompen. Hierover worden afspraken met ontwikkelaars gemaakt.
Naast het hiervoor beschreven collectieve warmtesysteem zijn reeds andere warmtenetten/systemen aanwezig. Bestaande bouw heeft deels een eigen warmtevoorziening (op basis van gas) of is aangesloten op het stadswarmtenet van Eneco. Daarnaast zijn recent enkele gebouwen gerealiseerd met een eigen warmtesysteem bestaande uit een WKO-bronnen. In de eerste plaats blijven deze systemen los van elkaar functioneren, maar het is niet ondenkbaar dat in de toekomst koppelingen tussen deze verschillende systemen worden gerealiseerd.
Conform de Nota Haagse hoogbouw wordt het afval in hoogbouw inpandig verzameld en vervolgens door de eigenaar of beheerder aan de openbare ruimte aangeboden. Daarnaast is het landelijk beleid dat tenminste restafval, papier en GFE op een kavel worden ingezameld. Vanwege de hoge dichtheid in Laakhavens Hollands Spoor geeft het inzamelen met rolcontainers ongewenste drukte op de openbare ruimte. Er wordt onderzocht hoe dit anders kan, met de volgende uitgangspunten:
Voor Laakhaven Centraal zijn de verschillende duurzaamheidsambities en randvoorwaarden uitgewerkt op kavelniveau. Deze zijn gebaseerd op het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Den Haag, waaronder onder meer de Nota duurzaamheid (RIS 301829), de Energievisie Den Haag 2040 (RIS180175), Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig (RIS 308744), het beleid Toekomstbestendig bouwen, incl. het Puntensysteem natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen (RIS 321843) en het Beleidsplan Zorg, Jeugd en Volksgezondheid ‘’Gezond en Veerkrachtig’’ Den Haag 2019-2022 (RIS 303812). Hierbij zijn de ambities en randvoorwaarden verdeeld in 6 onderwerpen: energie, mobiliteit, circulariteit, groen, klimaatadaptatie en gezondheid. De hierin benoemde ambities en randvoorwaarden zijn kaderstellend. Deze zijn opgenomen in de ontwikkelstrategie, bijlage 'Duurzaamheidsmaatregelen op kavelniveau'.
Hierin zijn de duurzaamheidsambities uitgewerkt op het gebied van klimaatadaptatie (zorgen voor hittebestendigheid), gezondheid (het creëren van een groene leefomgeving) en duurzame mobiliteit (focus op actieve mobiliteit).
Voor de ontwikkeling van Laakhaven Centraal is een project-MER (hierna: MER) opgesteld. In dit kader zijn diverse onderzoeken gedaan om de haalbaarheid van de plannen te toetsen. Daarnaast kunnen deze onderzoeken (aanvullende) randvoorwaarden geven waaraan bij de uitwerking aan voldaan moet worden. In dit hoofdstuk wordt eerst ingegaan op de MER-systematiek en de uitkomsten van de onderzoeken. Tot slot wordt ingegaan op de Ladder van de duurzame verstedelijking, bedrijven en milieuzonering en monitoring.
Dit TAM-omgevingsplan voorziet in activiteiten die volgens de regels van de Omgevingswet mer-(beoordelings)plichtig zijn. Conform bijlage V bij het omgevingsbesluit gaat het hier om een stedelijk ontwikkelingsproject (J11). Dat betekent dat met een mer-procedure de milieueffecten in beeld gebracht en beoordeeld moeten worden in een MER. De gebiedsontwikkeling wordt voor het TAM-omgevingsplan op concreet niveau uitgewerkt, waarvoor na vaststelling geen verdere besluitvorming meer plaatsvindt. Waar aan de orde zullen er wel omgevingsvergunningen aangevraagd moeten worden, met daarbij behorende procedures.
De mer-procedure voor Laakhaven Centraal is gestart met de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). De NRD beschrijft de aanpak van de projectMER qua alternatieven, omgevingsaspecten en effecten die vanwege de gebiedsontwikkeling Laakhaven Centraal onderzocht gaat worden (‘reikwijdte’). Daarnaast geeft de NRD informatie over de manier waarop de effecten van de gebiedsontwikkeling onderzocht gaan worden en met welke diepgang (‘detailniveau’). De NRD voor Laakhaven Centraal heeft van 19 juni 2025 tot en met 30 juli 2025 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode kon eenieder reageren op de aanpak van het MER Laakhaven Centraal, zoals beschreven in deze NRD. Er zijn twee zienswijzen ingediend, diverse adviezen van vooroverlegpartners en een advies van de Commissie mer zijn ontvangen. In het MER (bijlage [PM] is hierop nader ingegaan.
Het MER is opgesteld op basis van de kaders van de NRD, de relevante zienswijzen en adviezen en het advies van de Commissie mer. De conclusies van het MER zijn opgebouwd aan de hand van 6 thema’s: gezondheid & leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, (stads)klimaat, energie & grondstoffen, voorzieningen & economie en mobiliteit.
In de volgende paragrafen is ingegaan op de uitkomsten van de deelonderzoeken van het MER. Hierbij is per milieuaspect beknopt weergegeven; het toetsingskader, de wijze van toetsing en de uitkomsten van het onderzoek. De indeling van de thema’s in het MER is hierbij aangehouden.
Voor het beoordelen van gezond gedrag wordt gekeken naar drie indicatoren: de aanwezigheid van groen (op basis van de groennorm), de aanwezigheid van speelvoorzieningen (op basis van de voorzieningennorm) en mogelijkheden voor bewegend verplaatsen door fietsen of wandelen (op basis van de aanwezige mogelijkheden, de modal split en de verbinding met omgeving). In het MER is ook gekeken naar de tien kernwaarden van de GGD die bijdragen aan een gezonde leefomgeving:
Conclusie
De hoeveelheid groen en groen oppervlak in het plangebied neemt significant toe ten opzichte van de huidige situatie. Met de nieuwe inrichting wordt waarschijnlijk grotendeels voldaan aan de 3-30-300 regel. Omdat de woningen boven de plint uitkomen, zullen naar waarschijnlijkheid bewoners minstens drie bomen kunnen zien vanuit hun woning. Omdat het plangebied in de lengte iets meer dan 600 meter is, zullen de bewoners binnen 300 meter van een park wonen. Een boomkroonbedekking van minimaal 30% is moeilijk in te schatten op basis van de beschikbare informatie. Dit is sterk afhankelijk van het type bomen en de leeftijd van de bomen. Het aantal speelvoorzieningen in het gebied neemt toe, maar de exacte invulling is nog niet bekend. In het hele plangebied zijn in de regels speel- en sportvoorzieningen toegestaan. Bij de uiteindelijke inrichting is dat in het CID voldaan wordt aan de Haagse norm voor speelvoorzieningen. In het park worden wandelpaden aangelegd. Dit geeft mogelijkheden voor recreatief wandelen die er eerder niet waren. In het gebied zijn beperkt autowegen aanwezig, waardoor er ruimte wordt gecreëerd voor het bewegen per fiets of te voet.
Het plan draagt (deels) bij aan de volgende kernwaarden van de GGD; aantrekkelijke plekken, gezond gewicht, actief vervoer, fiets- & OV-verbindingen, gezond binnenklimaat en prettig wonen.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring van de kwaliteit van de leefomgeving. Het Bkl biedt de volgende grondslagen voor de onderbouwing dat een plan of project voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit:
De gemeente Den Haag behoort tot de aandachtsgebieden van NO2 en PM10.
Het studiegebied wordt gevormd door het gebied waarbinnen relevante effecten als gevolg van het plan kunnen worden verwacht. Naast de wijzigingen aan de wegen binnen het plangebied, ontstaan er op de bestaande en aansluitende wegen in de omgeving van het plangebied wijzigingen in de verkeersafwikkeling, de zogenaamde netwerkeffecten. De netwerkeffecten zijn meegenomen bij de bepaling van het studiegebied dat de volgende wegvakken omvat:
1. De wegvakken waar het plan direct betrekking op heeft (plangebied);
2. Wegen aansluitend aan het plangebied tot en met de eerstvolgende aansluiting;
3. De overige wegvakken met relevante netwerkeffecten;
4. Aanvulling en aanpassing van geselecteerde wegvakken
Aanvullend zijn in de 5 kilometer rondom het studiegebied de HWN-wegvakken (hoofdwegennetwerk) en het SRM2-deel van de provinciale wegen (wegvakken die vallen onder de standaardrekenmethodiek 2), die opgenomen zijn in het CIMLK (Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit), als dubbeltellingscorrectie meegenomen.
Uit het onderzoek blijkt dat de jaargemiddelde concentraties ruim onder de omgevingswaarden liggen. Ook een overschrijding van de dagnorm voor PM10 uitgesloten. Uitgaande van de huidige kennis over emissies en concentraties van PM2,5 en PM10 is gesteld dat, als aan de omgevingswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de omgevingswaarden voor PM2,5 wordt voldaan. Daarmee is ook een overschrijding van de dagnorm voor PM2,5 uitgesloten. Statistische analyse wijst verder uit dat in het algemeen een overschrijding van het aantal toegestane overschrijdingen van de uurgemiddelde NO2-grenswaarde plaatsvindt bij een jaargemiddelde NO2-concentratie van 82 µg/m³ of hoger. Het onderzoek maakt duidelijk dat concentraties van deze hoogte niet voorkomen, waarmee overschrijding van het aantal toegestane overschrijdingen van de uurgemiddelde NO2-grenswaarde uitgesloten is.
Voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofoxiden, lood, koolmonoxide en benzeen zijn de laatste jaren nergens in Nederland normoverschrijdingen gemeten en de concentraties vertonen een dalende trend.
De Europese Raad heeft op 14 oktober 2024 de nieuwe Europese richtlijn voor luchtkwaliteit aangenomen. Vanaf 2030 gaan er strengere eisen gelden voor bijvoorbeeld NO2, PM10 en PM2,5. Binnen 2 jaar moet Nederland de Europese regels omzetten naar nationale wetgeving. Het onderzoek laat voor PM10 en PM2,5 waarden zien die in 2031 en 2040 onder de nieuwe Europese grenswaarden liggen (20 µg/m3 PM10, 10 µg/m3 PM10). Voor NO2 is er in 2031 een maximale concentratie te zien die hoger is dan de nieuwe Europese grenswaarde (20 µg/m3). In 2040 ligt het er onder. Omdat de nieuwe Europese grenswaarden nog niet in de Nederlands wetgeving zijn opgenomen, staat dat de vaststelling van het omgevingsplan niet in de weg.
Als de nieuwe normen niet gehaald dreigen te worden, dan moet een lidstaat vóór 2030 een routekaart opstellen. Daarin moeten beleidslijnen en maatregelen opgenomen worden om op tijd aan de grenswaarden te voldoen. Als er na 2030 toch nog overschrijdingen zijn, dan moeten binnen 2 jaar na constatering aanvullende maatregelen vastgelegd worden in een luchtkwaliteitsplan.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande voldoet het omgevingsplan aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen.
Voor het thema geluid zijn wettelijke regels en onder andere gemeentelijk beleid relevant. Voor wegverkeer, railverkeer, tramverkeer is een beoordeling gemaakt aan de hand van de wettelijke standaardwaarden en grenswaarden. Deze regels zijn opgenomen in het Bkl. In het Bbl zijn regels opgenomen voor het geluidniveau in gebouwen. Voor cumulatie en gezondsheidskundige advieswaarden is gebruik gemaakt van de methode Miedema en de gezondheidskundige advieswaarden van de WHO. Voor het thema geluid is in het onderzoek een onderscheid gemaakt tussen het effect van het plan bij bestaande geluidgevoelige gebouwen (nabij Laakhaven Centraal) en het effect van bestaande geluidbronsoorten voor de toekomstige geluidgevoelige gebouwen (in Laakhaven Centraal).
Om na te gaan wat het effect is van het plan op de bestaande geluidgevoelige gebouwen is een afbakening gemaakt van bestaande geluidgevoelige gebouwen waarbij naar verwachting sprake is van een toe- of afname van geluid met meer dan 1 dB als gevolg van het plan. Als gevolg van het plan verandert alleen het geluid van wegverkeer, door veranderende verkeersstromen van en naar het plangebied. Het geluid van spoorwegen en trams verandert niet door het plan. Ter hoogte van welke wegen een toe- of afname van het geluid met 1 dB of meer kan worden verwacht, is bepaald aan de hand van het zogenoemde -20%/+30%-criterium, een gebruikelijk criterium bij MER-studies. In het onderzoek worden de wegen betrokken waar de verkeersintensiteiten in de plansituatie afneemt met minimaal 20% of toeneemt met minimaal 30% ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Rekenkundig geeft dit de wegen waar een toe- of afname van het geluid met minimaal 1 dB te verwachten is. Wegen met een verkeersintensiteit lager dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal zijn buiten beschouwing gelaten.
Wegverkeer
Bestaande bebouwing
Uit de analyse van de verkeersintensiteiten is gebleken dat op een aantal wegen in de buurt van het plangebied sprake is van een relevante toename van het geluid (> 1dB) als gevolg van het plan. Hierdoor verandert het geluid bij bestaande geluidgevoelige gebouwen nabij Laakhaven Centraal. Een belangrijke bepalende factor hiervoor zijn de wijzigingen aan de Waldorpstraat.
Door middel van geluidberekeningen in een akoestisch rekenmodel is bepaald hoeveel woningen in de autonome ontwikkeling en de plansituatie worden gehinderd door geluid. Daarbij zijn alleen de geluidgevoelige gebouwen meegenomen die zich in de directe nabijheid bevinden van de wegen met een relevante toe- of afname van het geluid. Uit de berekeningen is gebleken dat het aantal ernstig gehinderden door geluid van wegverkeer in de plansituatie met 8% toeneemt bij bestaande geluidgevoelige gebouwen ten opzichte van de autonome ontwikkeling (effectscore ‘0/-’). Het aantal ernstig slaapverstoorden neemt toe met (iets meer dan) 10% (effectscore ‘-’).
Nieuwe bebouwing
Aangezien het ontwerp van de gebouwen in het plangebied nog niet tot in detail vaststaat, heeft voor het MER een beoordeling van het geluid in het plangebied plaatsgevonden aan de hand van geluidcontouren. Met een akoestisch rekenmodel zijn de geluidcontouren bepaald op een hoogte van 2 meter (begane grond), 188 meter (maximale bouwhoogte), 20m, 40m en 100m (tussenliggende hoogtes). Uit de contouren blijkt dat het geluid van de gemeentewegen in het gehele plangebied hoger is dan de wettelijke standaardwaarde van 53 dB. Op alle rekenhoogtes is het geluid overwegend tussen de 55 en 60 dB. Aan de randen van het plangebied is het geluid tussen de 60 en 65 dB. De wettelijke grenswaarde van 70 dB wordt niet overschreden. Aangezien de wettelijke standaardwaarde bij de nieuwe geluidgevoelige gebouwen wordt overschreden, moet er bij de verdere planuitwerking onderzoek worden gedaan naar maatregelen om het geluid te beperken.
Tramverkeer
Aangezien het geluid van tramverkeer door het plan niet verandert, is voor de bestaande bebouwing niet beoordeeld in welke mate het aantal ernstig geluidgehinderden en slaapverstoorden verandert als gevolg van het plan.
Nieuwe bebouwing
Uit geluidcontouren voor trams is gebleken dat het geluid op de meeste hoogtes in heel het plangebied onder de wettelijke standaardwaarde blijft van 55 dB. Enkel in een klein deel van het noord en noordoostelijke gedeelte van het plangebied zit een overschrijding van de wettelijke standaardwaarde. De wettelijke grenswaarde van 65 dB wordt niet overschreden.
Wegverkeer en trams samen
Wettelijk gezien moet het geluid van trams samengenomen worden met dat van het wegverkeer, als de gemeente dat bij het vastleggen van de zogeheten ‘Basisgeluidemissie’ ook heeft gedaan. Op het moment van het onderzoek heeft de gemeente Den Haag de Basisgeluidemissie nog niet vastgelegd en is ook nog niet bekend of daarbij het geluid van wegverkeer en trams wel of niet samen wordt genomen. Daarom is er in de MER voor gekozen om beide opties te beschouwen. Hiervoor is ingegaan op het geluid van wegverkeer en trams afzonderlijk. Aanvullend daarop wordt hieronder ingegaan op de effecten als beide geluidbronnen samen worden genomen.
Bestaande bebouwing
Uit de berekeningen is gebleken dat het aantal ernstig gehinderden door geluid van wegverkeer in de plansituatie met 7% toeneemt bij bestaande geluidgevoelige gebouwen ten opzichte van de autonome ontwikkeling (effectscore ‘0/-’). Het aantal ernstig slaapverstoorden neemt toe met 11% (effectscore ‘-’).
Nieuwe bebouwing
Uit de geluidcontouren blijkt dat het geluid van de gemeentewegen en trams samen, in het gehele plangebied hoger is dan de wettelijke standaardwaarde van 53 dB. Op alle rekenhoogtes is het geluid overwegend tussen de 55 en 60 dB. Aan de randen van het plangebied is het geluid tussen de 60 en 65 dB. De wettelijke grenswaarde van 70 dB wordt niet overschreden. Aangezien de wettelijke standaardwaarde bij de nieuwe geluidgevoelige gebouwen wordt overschreden, moet er bij de verdere planuitwerking onderzoek worden gedaan naar maatregelen om het geluid te beperken.
Railverkeer
Aangezien het geluid van railverkeer door het plan niet verandert, is voor de bestaande bebouwing niet beoordeeld in welke mate het aantal ernstig geluidgehinderden en slaapverstoorden verandert als gevolg van het plan.
Nieuwe bebouwing
Uit de geluidcontouren blijkt dat het geluid van hoofdspoorwegen in delen van het plangebied hoger is dan de wettelijke standaardwaarde van 55 dB. Met name op de rekenhoogtes vanaf 40 meter hoogte breiden de contouren boven de 55 dB zich uit over het plangebied. Dit wordt veroorzaakt doordat op deze hoogtes het geluid van het spoor minder effectief wordt afgeschermd door de bebouwing die zich tussen het plangebied en het spoor bevindt. Hierbij wordt opgemerkt dat het geluid aan de uiterst noordelijke rand van het plangebied hoger is dan de wettelijke grenswaarde van 65 dB.
Cumulatie
Bestaande bebouwing
Voor de beoordeling van de verandering van het aantal ernstig geluidgehinderden en slaapverstoorden als gevolg van het gecumuleerde geluid, is het geluid van gemeentewegen, trams en hoofdspoorwegen bij elkaar opgeteld (‘gecumuleerd’). Het gecumuleerde geluid is berekend volgens de rekenregels in artikel 3.25 van de Omgevingsregeling. Uit de berekeningen blijkt dat het aantal ernstig gehinderden door het gecumuleerde geluid in de plansituatie toeneemt met 5% ten opzichte van de autonome ontwikkeling (effectscore ‘0/-’). Het aantal ernstig slaapverstoorden neemt toe met 6% (effectscore ‘0/-’).
Nieuwe bebouwing
Uit de geluidcontouren blijkt dat het gecumuleerde geluid ten hoogste 65 – 70 dB bedraagt aan de randen van het plangebied. Dit leidt tot effectscore ‘-’. In het overige deel van het plangebied is het gecumuleerde geluid overwegend 60 – 65 dB.
Gezondheidkundige advieswaarden voor geluid
Voor de bestaande geluidgevoelige gebouwen wordt in de MER alleen geanalyseerd in welke mate het geluid verandert als gevolg van het plan. Er vindt daarom geen toetsing plaats aan wettelijke waarden of gezondheidskundige advieswaarden.
Nieuwe bebouwing
Uit de geluidcontouren blijkt dat het geluid van wegverkeer in het gehele plangebied hoger is dan de gezondheidskundige advieswaarde van 53 dB van de WHO. Het geluid van spoorwegen is in delen van het plangebied hoger dan de gezondheidskundige advieswaarde van 54 dB van de WHO. In het gehele plangebied worden WHO-advieswaarden overschreden.
Indirecte akoestische effecten t.h.v. Oudemansstraat
Uit de berekeningen is gebleken dat het geluid van het wegverkeer op de Oudemansstraat zodanig toeneemt dat dit leidt tot een toename van het geluid met meer dan 1,5 dB bij nabijgelegen woningen. Deze toename doet zich alleen voor aan de oostzijde van de Oudemansstraat (huisnummers 98 t/m 192), doordat de toename van de verkeersintensiteit aan deze zijde van de straat het grootste is. Deze toename is echter gebaseerd op alleen het wegverkeer, terwijl er ook trams door de Oudemansstraat rijden. De trams zijn hier maatgevend voor het geluid en als deze ook in de beoordeling worden meegenomen, blijkt dat het geluid van gemeentewegen en trams samen toeneemt met ongeveer 0,5 dB. Er is dan geen sprake meer van indirecte akoestische effecten.
Als het geluid van gemeentewegen en trams afzonderlijk wordt beschouwd is wél sprake van een toename van het geluid van meer dan 1,5 dB. Die toename kan worden weggenomen door:
Als het niet mogelijk is één van bovenstaande maatregelen te treffen, dient nader onderzoek plaats te vinden naar de geluidgevelwering van de woningen waarbij het geluid toeneemt. Bij alle woningen (Oudemansstraat 98 t/m 192) bedraagt het gezamenlijke geluid 64 dB. Op grond van artikel 3.53 van het Bkl dienen geluidwerende maatregelen aan de gevel te worden getroffen waarmee wordt voldaan aan de binnenwaarde van 41 dB.
Indirecte akoestische effecten t.h.v. Waldorpstraat en Leeghwaterplein
De geluidtoenames die zich voordoen rond de Waldorpstraat en het Leeghwaterplein zijn groot (meer dan 5 dB) en worden veroorzaakt doordat in de autonome ontwikkeling sprake is van een andere verkeerscirculatie dan in de huidige situatie en de plansituatie. In de autonome ontwikkeling is er nauwelijks verkeer op de Waldorpsstraat voorzien. In de plansituatie is er vanwege de verkeersaantrekkende werking door het plan wel substantieel verkeer op de Waldorpsstraat voorzien, wat logischerwijs leidt tot een groot verschil in geluid tussen de plansituatie en de autonome ontwikkeling. Hoewel sprake is van een verslechtering ten opzichte van de autonome situatie, verbetert de geluidsituatie juist aan de Waldorpstraat ten opzichte van de bestaande situatie. Daarom wordt geadviseerd om voor de Waldorpstraat geen geluidbeperkende maatregelen te treffen om de indirecte akoestische effecten tegen te gaan.
Het gemeentebestuur heeft een motiveringsplicht als zij besluit meer geluid dan de standaardwaarde toe te staan, waarbij het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel moet worden betrokken en de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde moet worden beoordeeld. De gemeente Den Haag heeft hiervoor beleid opgesteld in het ‘Beleid hogere grenswaarden Wet Geluidhinder’ d.d. februari 2010. Op het moment van schrijven van dit rapport beschikt de gemeente Den Haag nog niet over beleidsregels die zijn toegespitst op het wettelijk kader van de Omgevingswet. Daarom heeft een interpretatie van het (oude) geluidbeleid plaatsgevonden, zodat het toepasbaar is op de actuele wet- en regelgeving.
De belangrijkste eisen uit het geluidbeleid van de gemeente Den Haag zijn:
Conclusie
Aangezien er op dit moment alleen een voorlopig stedenbouwkundig ontwerp bekend is, kan nog niet worden bepaald of aan de eisen ten aanzien van de geluidluwe gevel wordt voldaan. Hiervoor zullen voorwaarden in het TAM-omgevingsplan moeten worden opgenomen voor de verdere planuitwerking.
Bepalen gezamenlijk geluid
Als het niet mogelijk is om aan de wettelijke standaardwaarde te voldoen, moet in het omgevingsplan het gezamenlijke geluid op de geluidgevoelige gebouwen worden bepaald. Dit gezamenlijke geluid wordt vervolgens gebruikt om te bepalen of maatregelen nodig zijn om de geluidwering van de gevel te verbeteren, zodat wordt voldaan aan wettelijke binnenwaarden. Dit vindt plaats bij vergunningverlening op grond van het Bbl.
Voor het thema omgevingsveiligheid gelden zowel wettelijke vereisten, provinciale regels en gemeentelijk beleid. Zowel in het Bal, Bkl en het Bbl zijn regels opgenomen. In het Bal gaat het om onder andere maatregelen die de omgevingsveiligheidsrisico’s beperken van een activiteit. In het Bkl staan instructieregels voor het opstellen van een omgevingsplan en het Bbl regelt dat aanvullende bouwkundige eisen kunnen gelden in voorschriftengebieden. Ook de provincie kent Op grond van de Omgevingswet is de wettelijke basis opgenomen die nader wordt uitgewerkt in het Bal en het Bkl. Ook is in de Omgevingswet een zorgplicht opgenomen als vangnet. Ook de gemeente heeft gemeentelijk beleid over de omgang met plaatsgebonden risico en groepsrisico en de afwegingen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
In het onderzoek is het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden nader beschouwd. Het plaatsgebonden risico wordt voor iedere risicovolle activiteit afzonderlijk bepaald. Het plaatsgebonden risico is beoordeeld op de volgende aspecten: of het planvoornemen leidt tot een nieuw, of gewijzigd plaatsgebonden risico en of is voldaan aan de grens- en standaardwaarde van het plaatsgebonden risico.
De aandachtsgebieden worden voor iedere risicovolle activiteit afzonderlijk bepaald. Het aantal- en de omvang van de aandachtsgebieden is afhankelijk van het type risicovolle activiteit. Bij nieuwe- of een wijziging van bestaande risicovolle activiteiten kan het aantal-, ligging- en de omvang van aandachtsgebieden wijzigen. De aandachtsgebieden zijn beoordeeld op de volgende aspecten: of het planvoornemen leidt tot een wijziging in het aantal, ligging of de omvang van- aandachtsgebieden en of het planvoornemen (beperkt) kwetsbare gebouwen en/of locaties en/of zeer kwetsbare gebouwen mogelijk maakt binnen een aandachtsgebied.
Conclusie
De ontwikkeling van Laakhaven Centraal maakt geen gebouwen of locaties conform bijlage VI Bkl mogelijk binnen een plaatsgebonden risico contour. Hiermee voldoet het planvoornemen aan de grens- en standaardwaarde van het plaatsgebonden risico, zoals beschreven in artikel 5.7 van het Bkl. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de juridische haalbaarheid. Het TAM-plan maakt geen (beperkt) kwetsbare gebouwen en/of locaties en/of zeer kwetsbare gebouwen mogelijk binnen een brand- en/of explosie- en/of gifwolkaandachtsgebied.
Voor het beoordelen van de sociale veiligheid wordt gekeken naar de zichtbaarheid in het plangebied (zichtlijnen, verlichting, aanwezigheid mensen en “ogen op straat”-principe), cijfers van misdaad en overlast in de buurt en de ervaren overlast in de buurt. Voor het beoordelen van de verbondenheid wordt gekeken naar ontmoetingsplekken, de nabijheid van voorzieningen en inclusiviteit/voorzieningen voor minder validen.
Conclusie
Door het plan zal de zichtbaarheid op straat verbeteren. Het gebied wordt ingericht als verblijfsgebied. Door het park zijn er meer open ruimtes, waardoor de zichtlijnen verbeteren. Omdat het gebied een woon/werkfunctie krijgt, zullen meer verdeeld over de dag mensen op straat aanwezig zijn. Hierdoor is er meer sociale controle. Ook hebben meer winkels open voorgevels en zijn er woningen aanwezig, waardoor het “ogen op straat”-principe versterkt wordt. In het plan wordt verder ingezet op een functiemenging van wonen en werken. Hierdoor zullen er meer mensen op straat zijn gedurende de gehele dag in plaats van alleen tijdens openingstijden. De verwachting is daarom dat de misdaad- en overlastcijfers zullen dalen en de ervaren veiligheid zal verbeteren. Ook is rekening gehouden met inclusiviteit en voorzieningen voor minder validen.
In het onderzoek naar ruimtelijke kwaliteit zijn de cultuurhistorische en archeolgische waarden als de stedenbouwkundige kwaliteit beschouwd.
Voor de cultuurhistorische en archeologische waarden gelden zowel wettelijke regels als gemeentelijk beleid. In de beoordeling zijn de volgende criteria gehanteerd: informatiewaarde (afleesbaar), belevingswaarde (waarneembaar) en toekomstwaarde (bruikbaar).
Conclusie cultuurhistorische en archeologische waarden
Informatiewaarde
Er zijn momenteel weinig landschapselementen die doen denken aan de geschiedenis van het gebied. Wat wel elementen zijn die terug doen denken aan het industriële verleden zijn de harde kadewanden, brede straten en de relatie met het water. De insteekhaven van vroeger is gedempt. De gedempte insteekhaven wordt in de ontwikkeling opgenomen als park
Belevingswaarde
Door het park in te richten op de plek van de insteekhaven worden veel mensen naar het gebied getrokken. De relatie met historisch erfgoed ontbreekt doordat er geen enkel waterelement is toegevoegd in het park. In de nieuwbouw zijn wel elementen van het industriële verleden terug te zien.
Toekomstwaarde
Het park, op de plek van de insteekhaven, is bedoeld als groene buffer tussen het sterk verstedelijkt gebied in. De hittestress wordt verlaagd en er zijn veel klimaatadaptatie maatregelen genomen. Dit maakt het park met een blik op de toekomst ingericht. Er is geen koppeling gemaakt met het historisch erfgoed, zoals een connectie met water voor de bezoekers om te ervaren.
Voor de stedenbouwkundige kwaliteit geldt enkel gemeentelijk beleid. Voor de beoordeling van dit onderdeel is gebruik gemaakt van indicatoren die iets zeggen over ruimtelijke kwaliteit. De RUDIFUN-dataset van het PBL bevat cijfers die wanneer toegepast in een vergelijkend onderzoek de ruimtelijke kwaliteit kunnen duiden. De RUDIFUN-dataset staat voor Ruimtelijke Dichtheden en Functiemenging in Nederland en is ontwikkeld door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Het is een GIS-dataset die inzicht biedt in de ruimtelijke structuur van Nederland, met name gericht op bebouwingsdichtheid en functiemenging (zoals wonen versus werken). De volgende indicatoren zijn opgenomen in de dataset:
De dataset is beschikbaar als open data en wordt gebruikt door overheden, stedenbouwkundigen en onderzoekers voor het monitoren en vergelijken van stedelijke gebieden. De dataset is ingedeeld in verschillende schaalniveaus (bouwvlak, buurt, wijk en gemeente). De toepassing en werkwijze van de dataset is vastgelegd in een NEN-9300 normering.
Conclusie stedenbouwkundige kwaliteit
Eerst zijn de indicatoren vastgesteld van de ontwikkeling, daarna worden soortgelijke ontwikkelingen in Nederland gezocht en geanalyseerd. Opvallend aan het plan is het aantal vierkante meters vloeroppervlak wonen dat wordt gerealiseerd. Het plan kent een relatief hoge Floor Space Index (FSI) en een relatief hoge gemiddelde bouwhoogte (L), voor een ontwikkeling van deze plangrootte en daarmee een relatief hoge bebouwingsdruk. De woontorens geven een zeer hoogstedelijk beeld en een nieuw stadssilhouet. De gemiddelde footprint (GSI) van de ontwikkeling is vergelijkbaar met de referentieprojecten. Het percentage openbare ruimte (OSR) en functiemening (MXI) is ook vergelijkbaar met de referentieprojecten. Functiemening neemt fors toe, door de programmering in de plinten, en heeft als gunstig bijeffect dat het bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit/leefbaarheid. Dat komt doordat er meer ogen op straat zijn gericht vanuit de bebouwde omgeving, waarbij er op elk moment van de dag levendigheid is, wat de sociale veiligheid ten goede komt. Het plan is opgezet met gesloten bouwblokken met midden in het plan een groenvoorziening. Deze centrale groenvoorziening is essentieel voor de ruimtelijke kwaliteit van het plan en bedraagt 15% van het plan. Er zijn goede (groene) straatprofielen tussen deze bouwblokken ontworpen. Het totaal aan buitenruimte is daarmee hoofdzakelijk groen ingericht met de voetganger en fietser centraal als gebruiker. Het is ruim opgezet en er is voldoende groen.
Voor het plangebied Laakhaven Centraal is onderzoek uitgevoerd naar hittestress. Met betrekking tot hittestress is er geen landelijke wet & regelgeving die voorziet in een toetsingskader. In het onderzoek is gekeken naar de Nationale Adaptatie Strategie (NAS), het Nationaal Uitvoeringsprogramma klimaatadaptatie (NUP KA’23), het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA), de Wegwijzer Den Haag klimaatbestendig en het Buitenruimteplan Laakhavens Hollands Spoor als toetsingskader.
De ontwikkeling in Laakhaven Centraal ziet op nieuwe woningen, gebouwen ten behoeve van voorzieningen en de buitenruimte. Deze zijn nog slechts globaal op planniveau uitgewerkt en nog niet in detailontwerp beschikbaar. Dit maakt dat de beoordeling van de gestelde criteria voor hittebestendig bouwen in het beleid (wegwijzer Den Haag klimaatbestendig en het Buitenruimteplan Laakhavens Hollands Spoor) ten aanzien van materialen en eigenschappen van gevels en daken niet concreet kan plaatsvinden. In plaats daarvan is beoordeeld of het gewijzigde plan leidt tot potentiële hitterisico’s vanwege het hitte-eilandeffect (ook bekend als Urban Heat Island, UHI), het schaduwpercentage in de buitenruimte/verblijfsruimte en het groenpercentage.
Het hitte-eilandeffect (UHI) wordt beïnvloed door de wijze waarop de openbare ruimte wordt ingericht en door eigenschappen van bebouwing, zoals de bebouwingsdichtheid en materialen van daken en gevels. Potentiële hitterisico’s vanwege het hitte-eilandeffect zijn in dit onderzoek gebaseerd op de verhoogde sterftekans vanwege de verhoogde gemiddelde temperatuur tijdens een hittegolf. Het hitte-eilandeffect zorgt voor een extra verhoging van deze schadelijke temperatuureffecten, zowel overdag als ‘s nachts. Het UHI wordt in 4 klasses kan worden opgedeeld: comfortabel, acceptabel, risicovol voor kwestbaren en risicovol voor iedereen. Het hitte-eilandeffect is sterk bepalend voor het aantal tropische nachten.
Hittestress is ook beoordeeld door het inrichtingsontwerp van de buitenruimte aan criterium C van de wegwijzer van Gemeente Den Haag te toetsen. In criterium C gaat het om schaduw- en groenpercentages in de buitenruimte.
Om de impact van de ruimtelijke veranderingen op de potentiële hitte gerelateerde gezondheidsrisico’s in beeld te brengen zijn hitteberekeningen uitgevoerd. Deze zijn uitgevoerd met de Hitte Monitor van Haskoning. Om de hittestress in de buitenruimte te beoordelen zijn de oppervlaktes schaduw en groen geanalyseerd in GIS en vergeleken met de criteria voor deze oppervlaktes. Deze analyse is gedaan op basis van de resultaten uit de groen- en schaduwanalyse en van het totale oppervlak van de buitenruimte.
Uit het onderzoek blijkt dat de gewijzigde invulling van het plangebied ten aanzien van de gebouwen en buitenruimte een verbetering oplevert ten aanzien van het hitte-eilandeffect en ten aanzien van de hoeveelheid groen en schaduw in de buitenruimte. Het gebied met de hoogste risico’s vanwege het UHI (UHI-klassen 3 en 4) neemt af en het gebied met lagere tot geen risico neemt in oppervlak toe, plaatselijk in en rond het voldoende grote groene park centraal in het plangebied. Dit gebied kan als coolspot fungeren, waar mensen de hitte kunnen ontvluchten. Als gevolg van het plaatselijk sterk afgenomen UHI neemt ook het aantal tropische nachten plaatselijk aanzienlijk af. Dit betekent een snellere afkoeling van de omgevingstemperatuur in de avond en diepere afkoeling in de nacht, wat ook de koelteopgave in gebouwen helpt te reduceren.
Conclusie
Wat betreft de inrichting van de buitenruimte wordt zowel voor het percentage groen als het percentage schaduw voldaan aan de gestelde criteria in de wegwijzer Den Haag klimaatbestendig. Het aspect hittestress vormt geen belemmering voor de uitvoering van de ontwikkeling zoals voorzien in het ontwerp-TAM Laakhaven Centraal. Met de ontwikkeling is zelfs sprake van een sterke verbetering ten opzichte van de autonome situatie en aanvullende mitigerende maatregelen zijn daarom niet nodig.
Voor wind gelden geen landelijke wettelijke eisen. Wel zijn er diverse (privaatrechtelijke) normen en gemeentelijk beleid, die zijn toegepast voor dit onderzoek. Het gaat hier dan vooral om de NEN 8100:2006 windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving, de Nota Haagse Hoogbouw en de normen ten aanzien van windhinder.
Het doel van het onderzoek is om het windklimaat (windhinder en windgevaar) in het projectgebied te analyseren en de windcomfortkwaliteitsklassen te bepalen, met een focus op stedelijke kwaliteit en voetgangerscomfort. De analyse is uitgevoerd met behulp van een CFD-simulatiemodel conform de NEN8100-normen en bestrijkt een gebied met een diameter van 1,3 km. De dominante windrichting in het gebied is zuidwest, mede beïnvloed door een open kanaal ten zuiden van het projectgebied.
De mate van windhinder wordt uitgedrukt in de vorm van een oordeel over het lokale windklimaat: een goed windklimaat betekent weinig hinder, een slecht windklimaat betekent veel hinder. Hoe de windhinder wordt ervaren is sterk afhankelijk van de activiteit die men op dat moment onderneemt; de kans dat windhinder wordt ondervonden is bij stilzitten groter dan bij lopen. Van windgevaar kan volgens NEN8100 worden gesproken bij het ‘optreden van een zodanig hoge windsnelheid dat bij personen in ernstige mate problemen optreden bij het lopen’.
Conclusie
Uit het onderzoek blijkt dat een groot deel van het gebied in klasse A uitkomt, dit geeft een goed windklimaat voor alle activiteiten. Slechts rondom de hoogbouw aan de oostzijde van het project komen gebieden met klasse B tot C voor. Klasse C geeft nog een goed windklimaat voor doorlopen, matig voor slenteren en een slecht windklimaat voor langdurig zitten. Als de uitkomsten van het onderzoek worden vergeleken met de gewenste windklassekaart in het Buitenruimteplan blijkt dat op enkele plekken sprake is van een matig windklimaat. Deze windklasse past echter nog wel binnen de toegestane overschrijding van één klasse boven het gewenste windklimaat. Hieraan wordt in alle gevallen voldaan. Ook is er in het plangebied geen sprake van windgevaar. Het plan voldoet hiermee aan het gemeentelijk beleid.
Voor bezonning zijn geen landelijke wettelijke eisen. Wel is er een lokaal bezonningsbeleid door de gemeente Den Haag opgesteld (RIS170509). Dit beleid behartigt de belangen van omwonenden en stelt eisen ten aanzien van de bezonning van bestaande woningen. Het uitgevoerde onderzoek naar bezonning staat los van regelgeving rondom daglicht waarbij de toetreding van daglicht binnen woonruimtes wordt gegarandeerd.
Het onderzoeksgebied is gedefinieerd tot 3 keer de maximale gebouwhoogte binnen het plangebied. Dit resulteert in een onderzoeksgebied van 1,4 km² met circa 1800 gebouwvolumes. Voor het analyseren van de bezonning zijn, in verband met de omvang van het toetsgebied, geautomatiseerd meetpunten geplaatst langs de gevels met een onderlinge afstand van hoogstens 1 meter. Binnen de periode 19 februari tot 21 oktober zijn de twee uiterste dagen tevens de meest kritische dagen; de zon staat korter en lager aan de hemel op deze dagen dan elke tussenliggende dag. Wanneer de resultaten op deze dagen voldoen kan gesteld worden dat resultaten op alle tussenliggende dagen tevens voldoen. Voor de berekening zijn de coördinaten van de locatie gebruikt om het verloop van de zon met een interval van één minuut te modeleren voor alle meetpunten in de omgeving. Omdat er op 19 februari geen zon op een noordelijke gevel kan vallen, worden noordelijke gevels buiten beschouwing gelaten. Voor de definitie van een “noordelijk georiënteerde gevel” wordt beschouwd een gevel waarvan de oriëntatie een hoek van < 45° vormt ten opzichte van de noordpijl.
Ook buitenruimten vallen onder het bezonningsbeleid. Enkele buitenruimten met een recreatieve functie zijn onder dezelfde randvoorwaarden als bovenstaand getoetst; toetsmoment op 19 februari met minimale zonhoogte van 10°. Vanwege de grootte van deze gebieden zijn meetpunten elke 2,5 meter geplaatst.
Conclusie
In totaal zijn er 26.570 meetpunten geplaatst in het onderzoeksgebied. Meetpunten die in de huidige situatie geen bezonning ontvangen zijn buiten beschouwing gelaten in de analyse. In totaal is ruim 26,5 km aan gevel onderzocht. De resultaten zijn vergeleken met de resultaten van de autonome ontwikkelingen. In totaal is sprake van 1.208 meter gevel welke niet voldoet aan de twee-uurseis en 179 meter gevel die niet voldoet aan de 50% reductie-eis.
In het onderzoek Water zijn de waterthema’s waterkwaliteit, waterberging, wateroverlast en waterveiligheid onderzocht. Voor het beoordelen van de effecten op oppervlaktewater, waterberging, grondwater en afvalwater is gekeken naar het aanwezige beleid en de wet- en regelgeving bij de provincie, het Hoogheemraadschap en de gemeente Den Haag. Omdat het beleid en regelgeving onderling verweven en belegd is bij zowel provincie, waterschappen als gemeente is de effectscore voor de diverse wateraspecten daardoor in het onderzoek integraal benaderd.
Oppervlaktewaterkwaliteit
De ontwikkeling zorgt voor een aantal veranderingen die indirect van invloed kunnen zijn op de oppervlaktewaterkwaliteit van de Laakhaven. Ondanks dat het water van de Laakhaven buiten de ontwikkeling ligt, heeft de ontwikkeling wel (indirect) invloed op de waterkwaliteit. De ontwikkeling heeft een beperkt positief effect op de waterkwaliteit vanwege de volgende veranderingen: de ontwikkeling zorgt ervoor dat in de toekomst direct langs de Laakhaven op de Verheeskade geen autobewegingen meer plaatsvinden. De kans op verwaaiing van slijtageresten van banden en/of olieachtige resten die mogelijk in het water terechtkomen neemt hiermee af. Het aandeel schoon afstromend hemelwater neemt toe. Beide heeft een positief effect op de waterkwaliteit (emissiereductie).
Daarentegen wordt het oppervlaktewater van de Laakhaven gebruikt voor een energiesysteem (Thermisch Energiesysteem uit Oppervlaktewater). Dit betekent beïnvloeding van de natuurlijke stroming en de temperatuur en mogelijke effecten op macrofauna en waterplanten, stress op vis of opwerveling van de bodem waardoor het doorzicht verminderd in het oppervlaktewater. Een positief effect van het systeem is de lozing van koud water op opgewarmd oppervlaktewater. Er zijn maatregelen aan te wijzen om mogelijke negatieve beïnvloeding van het TEO-systeem te compenseren, zoals bijvoorbeeld restricties met betrekking tot temperatuur of perioden van lozing, de inzuigsnelheid of de hoogte van de bronnen. Een vergunningsaanvraag van de toepassing van het TEO-systeem ligt momenteel bij het hoogheemraadschap van Delfland (VHGM, 5 september 2025).
Waterberging en wateroverlast
In het gebied vindt een duidelijke afname plaats van het verhard oppervlak op maaiveld door de aanleg van een park en meer groen (ruim 4 ha). Er wordt geen aanvullend oppervlaktewater gegraven in het plangebied. Vanuit Klimaatadaptief bouwen wordt bij de herstructurering rekening gehouden met het bergen van hemelwater in bovengrondse of ondergrondse constructies. De berging wordt vergroot en de hemelwaterafvoer wordt ontlast. Op basis van de watersleutel is als gevolg van de afname van het verhard oppervlak geen extra waterberging in het gebied benodigd.
Hierdoor:
• voldoet het plangebied aan provinciale normen voor wateroverlast.
• de kans op wateroverlast neemt niet toe.
• de structuur van het watersysteem verslechterd niet.
• beheer en onderhoud van het watersysteem verslechterd niet.
Grondwater
Door centraal in het gebied een parkachtige omgeving aan te leggen, zorgt dit ervoor dat ten opzichte van de autonome situatie er meer (schoon) regenwater in de bodem kan bergen (infiltreren) en daarmee vertraagd afgevoerd wordt. De sponswerking in de bodem wordt beter benut dan in de autonome situatie. De grondwaterstanden zijn hoog, waardoor de groen infiltratie alleen toegepast wordt met drainage. De sponswerking van de bodem wordt ten opzichte van de autonome situatie beter benut, maar door de hoge grondwaterstanden is dit beperkt en wordt dit op bij berging op maaiveldniveau met drainage gecontroleerd.
Bij de ontwikkeling is ook sprake van een warmte-koude bodemenergiesysteem (WKO). Hierdoor wordt dieper grondwater heen en weer verplaatst in de bodem. In het gebied zijn al meerdere van dit soort WKO-systemen en enkele grondwateronttrekkingen aanwezig (zie WKO-tool.nl). Het diepere grondwatersysteem is in de autonome situatie al beïnvloed en er is geen sprake meer van een natuurlijk grondwatersysteem. Door toepassing van een extra WKO-systeem in de ondergrond, treden geen extra negatieve effecten op. Wel is voor dit systeem een vergunningplicht waarin de invloed op de omgeving in beeld moet worden gebracht.
Afvalwaterketen
Het gebied wordt omgevormd van winkel en bedrijven naar wonen (5.800 woningen) en voorzieningen. In de huidige situatie is er niet of nauwelijks of zeer beperkt oppervlak voor bewoning aanwezig. Dit betekent dat er een sterke toename plaatsvindt van de opvang van afvalwater. Ook dient dit getransporteerd te worden naar een AWZI waar het moet worden gezuiverd. Al met al betekent dit een flinke ingreep in het afvalwaterketensysteem voor met name het afvalwater. Het hemelwatersysteem is in de autonome situatie al een apart stelsel. Door het aanbrengen van hemelwaterberging worden piekbuien vertraagd afgevoerd. Wel zijn substantiële aanpassingen in het rioleringssysteem benodigd.
Verder is in het plangebied een afvalwatertransportleiding aanwezig parallel aan de Laak onder de Verheeskade. Hier vinden geen bouwactiviteiten plaats. Er wordt een zone van 5 m vrijgehouden. Deze leiding is onderdeel van de afvalwaterketen en wordt behouden.
Waterveiligheid
In het plangebied is geen waterkering aanwezig. Er ligt wel een waterkering aan de zuidzijde van de Laakhaven. Er wordt wel een voetgangersbrug aangelegd. Bouwwerken binnen het beschermingsniveau van de waterkering zijn vergunningplichtig. Effecten op de stabiliteit of beïnvloeding van de waterkering zijn niet te verwachten en zijn daarom niet van toepassing beschouwd als onderdeel van de effectscore. Het risico op overstroming blijft gelijk. In de klimaateffectatlas (www.klimaateffectatlas.nl) is voor het gebied geen overstromingskans toegekend.
Conclusie
In het plan is rekening gehouden met de toekomstige klimaateffecten, waardoor er geen waterberging of watercompensatie benodigd is anders dan wordt meegenomen bij de ontwikkeling. De sponswerking van het grondwater wordt benut door infiltratie van schoon hemelwater. Drainage bij berging op maaiveldniveau wordt daarbij toegepast, zodat geen grondwateroverlast ontstaat. Er wordt rekening gehouden met de bebouwing in het plangebied nabij de bestaande persleiding voor afvalwater. Vanuit water zijn er geen verdere juridische beperkingen wat betreft de wet- en regelgeving voor het omgevingsplan. In de regels is de borging van de hemelwaterberging op eigen terrein opgenomen en dat het bouwen en uitvoeren van werken geen onaanvaardbare nadelige gevolgen mag hebben voor de samenloop met de aanleg en instandhouding van het warmtenet en bodemenergiesysteem.
Voor het thema bodem gelden zowel wettelijke vereisten als gemeentelijk beleid. Op grond van de Omgevingswet is de wettelijke basis opgenomen die nader wordt uitgewerkt in het Bal en het Bkl. Ook is in de Omgevingswet een zorgplicht opgenomen als vangnet. Ook de gemeente heeft gemeentelijk beleid voor dit thema.
In het onderzoek is gekeken naar de bodemkwaliteit, de bodemgesteldheid en het bodemgebruik. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van openbare (onderzoeks)gegevens en bodemkwaliteitskaarten van de gemeente.
In de jaren ’20 van de vorige eeuw is de Laakhaven aangelegd en is het plangebied ontwikkeld van weiland naar industriegebied. Door de jaren heen hebben verschillende ontwikkelingen in het gebied plaatsgevonden, waaronder de aanleg en het verwijderen van spoorlijnen en het dempen van de haven in de jaren ’90. De huidige megastores zijn in het begin van de 21e eeuw aangelegd. Sindsdien is de bodem in vrijwel het volledige plangebied afgedekt met bebouwing en infrastructuur. Op de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Den Haag (CSO, 2012) ligt het plangebied in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’, voor zowel de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) als de ondergrond (0,5-2,0 m-mv). Binnen het plangebied zijn meerdere locaties beschikt onder de Wet bodembescherming. Omdat het gebied is heringericht met het dempen van de haven en de ontwikkelingen daarna, is van veel van de beschikkingen niet bekend wat de actuele status is. Het is niet uit te sluiten dat locaties nog verontreinigd zijn boven de huidige interventiewaarde bodemkwaliteit.
Conclusie
Bij ontwikkeling van het gebied geldt dat in het kader van bodemkwaliteit dat vrijkomende grond getoetst moet worden aan de kaders uit de Regeling bodemkwaliteit om de mogelijkheden voor hergebruik te bepalen. Sterk verontreinigde grond die mogelijk aanwezig is binnen het plangebied moet als daar sprake van is afgevoerd worden naar een erkend verwerker. Daarnaast is een aandachtspunt dat bij de uitvoering rekening gehouden moet worden met de voorwaarden uit de verschillende beschikkingen. Dit thema vraagt om een nadere uitwerking in het kader van de vergunningverlening.
In het natuuronderzoek wordt ingegaan op de natuurthema’s: gebiedsbescherming Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland (NNN), soortenbescherming en de ecologische kwaliteit.
Gebiedsbescherming Natura 2000
De bescherming van Natura 2000-gebieden volgt uit de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. De bescherming van Natura 2000 is per 1 januari 2024 in de Omgevingswet en Bal geregeld. Op basis van expert judgement is een inschatting gemaakt van de effecten van de geplande ingreep in relatie tot de aanwezige Natura 2000-gebieden en bijbehorende instandhoudingsdoelen. Dit is beoordeeld aan de hand van de storingsfactoren zoals geformuleerd in de voormalige Effectenindicator (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit).
In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. Het is uitgesloten dat effecten door directe storingsfactoren zoals verstoring door geluid, licht, trillingen, mechanische effecten en optische verstoring reiken tot Natura 2000-gebieden in het duingebied aan de andere kant van Den Haag. Ook oppervlakteverlies, versnippering, verandering door populatiedynamiek en verandering soortensamenstelling zijn niet aan de orde omdat het plangebied op grote afstand van Natura 2000-gebieden ligt (ca. 4 kilometer). Gevolgen door verzoeting, verzilting, verontreiniging, vernatting, verdroging, verandering stroomsnelheid, overstromingsfrequentie en dynamiek substraat zijn uitgesloten door de combinatie van de huidige stedelijke inrichting van het plangebied en de grote afstand tot Natura 2000-gebieden. Negatieve gevolgen op instandhoudingsdoelstellingen door deze verstoringsfactoren zijn daarom uitgesloten.
De effecten door stikstofdepositie (vermesting en verzuring) kunnen verder reiken dan de andere storingsfactoren en kunnen daarmee van invloed zijn op meerdere Natura 2000-gebieden. Voor de neerslag van stikstofdepositie zijn berekeningen uitgevoerd met AERIUS Calculator voor de sloop-, bouw- en gebruiksfase. Vervolgens is nagegaan of en in hoeverre enige relatie te verwachten is tussen de effecten van de voorgenomen ingreep en de geformuleerde instandhoudingsdoelen van in deze omgeving liggende Natura 2000-gebieden.
De inzet van bouwmaterieel en bouwtransport tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden leidt tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie in de omgeving van het plangebied. Ook in de gebruiksfase is er sprake van een toename van stikstofdepositie, vanwege verkeersaantrekkende werking door het plan. De maximale toename in de aanlegfase is 0,04 mol N/ha/jr, deze toename is tijdelijk. De maximale toename in de gebruiksfase is 0,01 mol n/ha/jr. Dit betreft depositietoename zonder saldering met bestaand gebruik of saldering anderszins, en zonder inzet van mitigerende maatregelen.
Conclusie gebiedsbescherming Natura 2000
In de vijf beïnvloede Natura 2000-gebieden zijn diverse stikstofgevoelige instandhoudingsdoelstellingen aanwezig. Daarom is vanwege de berekende stikstofdepositie vanwege het plan een passende beoordeling uitgevoerd (Kleijberg, 2025). Uit de passende beoordeling van de stikstofeffecten volgt dat de geringe toenames van de stikstofdepositie niet tot meetbare gevolgen leiden voor de samenstelling, structuur en functie van vegetatietypen die behoren tot de habitattypen van omliggende Natura 2000-gebieden. De hoeveelheid stikstof die als gevolg van de het plan aan de habitattypen wordt toegevoegd is dermate gering dat meetbare veranderingen in biomassa van planten niet op zullen treden. Ook effecten van verzuring die kunnen leiden tot veranderingen in de groei van planten zijn uitgesloten. De soortensamenstelling en structuur van habitattypen zal daardoor niet wijzigen. Daarom zullen er geen veranderingen optreden in de oppervlakte en kwaliteit van de habitattypen en leefgebieden, en voor de daarvan afhankelijke soorten. Daarom is uitgesloten dat het TAM-omgevingsplan Laakhaven Centraal leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden.
Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van op elkaar aangesloten natuurgebieden in Nederland. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl art. 7.8) en de Omgevingsverordening art. 7.7 2e lid Bkl is de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) geborgd. De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan.
Conclusie gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland
In de omgeving van het plangebied van Laakhaven Centraal liggen verschillende gebieden van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt ca. 1,5 kilometer ten zuiden van het plangebied bij Landgoed Te Werve in Rijswijk. Mogelijk relevante storingsfactoren zijn hierboven beschreven onder Gebiedsbescherming Natura 2000. Deze zijn ook van toepassing op eventuele effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat alleen stikstofdepositie een mogelijk effect kan hebben op de kwaliteit van het NNN. De toename van stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase is, hiervoor al beschreven. Er is geen sprake van aantasting van het oppervlak, samenhang en wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.
Soortenbescherming
De bescherming van inheemse soorten is geregeld in het Besluit Activiteitenl Leefomgeving (Bal). Voor de inheemse soorten gelden verschillende beschermingsregimes. De bescherming van Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten kent een zwaardere bescherming dan de ‘andere soorten’ die van nationaal belang zijn. De ‘andere soorten’ betreffen soorten die van nationaal belang zijn en onder druk staan (o.a. Rode Lijst). Voor alle inheemse soorten geldt de specifieke zorgplicht.
Uit het onderzoek blijkt dat de sloop- en aanlegwerkzaamheden kunnen zorgen voor verstoring van geluid, licht en trillingen, daarnaast is het mogelijk dat er verblijfplaatsen of groeilocaties worden vernietigd. Voor de beoogde herinrichting wordt aangenomen dat met het beoogde groenplan en het bouwen conform het puntensysteem van de Gemeente Den Haag er nieuw leefgebied zal zijn voor beschermde soorten.
Conclusie soortenbescherming
Als gevolg van sloop-, bouw- en aanlegwerkzaamheden zijn negatieve effecten in de aanlegfase voor vaatplanten, gebouwgebonden vleermuizen en broedvogels met jaarrond beschermde nesten niet uit te sluiten. De gebruiksfase kan voor verschillende soortgroepen een positief effect hebben. Door het treffen van mitigerende maatregelen is het redelijkerwijs aannemelijk dat duurzame instandhouding van de soorten niet in het geding zal zijn. Het ligt daarom in de lijn der verwachting dat na vaststelling van het omgevingsplan een vergunning voor een Flora- en fauna-activiteit verleend kan worden. Daarmee is het omgevingsplan voor dit onderdeel uitvoerbaar. Ten aanzien van de volgende soortgroepen kunnen negatieve effecten en daarmee een overtreding van de Omgevingswet voorkomen worden door het nemen van maatregelen: algemeen voorkomende broedvogels
Ecologische kwaliteit plangebied
Het onderzoek op dit onderdeel is uitgevoerd volgens de Handreiking Werkwijze Natuurkansenscan van de Gemeente Den Haag. Conform deze werkwijze is de uitgangssituatie van het plangebied beoordeeld in zeven categorieën:
• dekking;
• voedsel;
• diversiteit van beplanting;
• kwaliteit van natuurlijke biotopen;
• kwaliteit van cultuurrijke biotopen;
• bijzondere natuurwaarden;
• specifieke kwaliteiten en potenties voor beschermde soorten.
Conclusie ecologische kwaliteit plangebied
De sloop- en aanlegwerkzaamheden kunnen zorgen voor het aantasten van de ecologische kwaliteit van het plangebied. Voor de herinrichting wordt aangenomen dat met het beoogde groenplan en het bouwen conform het puntensysteem van de Gemeente Den Haag de ecologische kwaliteit van het plangebied sterk zal toenemen. Beleidsmatig geldt binnen de Gemeente Den Haag echter de verplichting om aanwezige natuurwaarden en potentiële natuurkansen in beeld te brengen. Bij ruimtelijke ingrepen wordt verwacht dat deze kansen worden benut. De voorgenomen inrichting van Laakhaven Centraal geeft hieraan invulling. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het omgevingsplan ten aanzien van dit aspect uitvoerbaar is.
Het aspect Natuur staat deze ontwikkeling niet in de weg.
In de op grond van de Gemeentewet door de gemeenteraad vastgestelde Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is de bescherming van bomen vastgelegd. Volgens de APV van Den Haag, artikel 2.80 e.v., is voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig (RIS 174540). Door deze bescherming kunnen belangen zorgvuldig worden afgewogen voordat een omgevingsvergunning wordt afgegeven dan wel geweigerd. Daarnaast is een mogelijkheid opgenomen om monumentale bomen aan te wijzen. Monumentale bomen hebben een hogere beschermingsstatus. Voor een volledig overzicht van de monumentale bomen in Den Haag is op de website van de gemeente Den Haag de meest actuele lijst en kaart terug te vinden.
Het TAM-omgevingsplan voor Laakhaven Centraal legt de invulling van de openbare ruimte niet gedetailleerd vast. Op basis van alleen het TAM-omgevingsplan is dan ook geen gedetailleerde bomenbalans op te stellen. Daarom is voor het maken van een inschatting van de gevolgen voor de bomen gebruikt gemaakt van het Buitenruimteplan. Op basis hiervan is een Boom Effect Analyse uitgevoerd. In het plangebied staan nu in de huidige situatie in de openbare ruimte circa 172 bomen. De bomen langs de Waldorpstraat (44 bomen), zijn eerder al weggehaald.
Conform de nota Haagse richtinggevende normen voor maatschappelijke voorzieningen en groen 2024 (RIS317835) geldt op gebiedsniveau voor het gehele CID de groennorm van 8m2 groen/woning voor hoogstedelijk gebied. Hierbij is de inzet om te voorzien in een hoogwaardige groene buitenruimte met een hoge gebruiks- en ecologische waarde. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de afstand tot groen. We gebruiken de 3-30-300 regel hiervoor als instrument. Vanaf elke woning zijn 3 bomen zichtbaar, in elke buurt is minimaal 30% van het grondoppervlak bedekt met boomkronen en binnen 300 meter van elke woning is een groene verblijfsplek. Ook streven we bij projecten of gebiedsontwikkeling naar een vergroting van het oppervlak groen/blauw van 5% (Kadernota Openbare Ruimte, RIS310884), naast een vergroting van de boomkroon oppervlakte met 5% (Nota Stadsbomen, RIS307827). De kaart geeft de groene ambitie voor Laakhavens weer. In het buitenruimteplan is uitgegaan van de volgende uitgangspunten. Deze uitgangspunten moeten nog verder worden uitgewerkt, waarbij de situatie ter plaatse bepaald of de hieronder geformuleerde uitgangspunten ook in de definitieve situatie ingepast kunnen worden.
Conclusie
De verwachting is dat met de herinrichting van Laakhaven Centraal het aantal bomen fors zal toenemen ten opzichte van de huidige situatie. De definitieve toename zal echter pas inzichtelijk zijn bij verdere uitwerking van het buitenruimteplan.
Voor het thema energie is een onderzoek uitgevoerd dat uitgaat van energiegebruik en lokaal duurzame energieopwekking. Voor het energiegebruik gelden zowel wettelijke vereisten als gemeentelijk beleid. Sinds 1 januari 2021 is het wettelijk verplicht om bij nieuwbouw BENG toe te passen. De gemeente heeft daarnaast de Transitievisie Warmte vastgesteld, waarbij een warmtevraagreductie voor de hele stad van 30% het uitgangspunt is. Voor het aspect energiegebruik is echter geen specifieke wet- of regelgeving waaraan het TAM-omgevingsplan Laakhaven Centraal getoetst moet worden. De wettelijke eisen (zoals BENG) zijn relevant op gebouwniveau en worden geborgd in de vergunningverlening voor nieuwbouw. Beleidsmatig streeft de gemeente Den Haag naar reductie van de warmtevraag en het energiegebruik, maar deze doelen zijn niet juridisch bindend op gebiedsniveau.
Voor lokaal duurzame energieopwekking gelden geen wettelijke vereisten. Op dit moment is er geen sprake van specifieke wet- of regelgeving waaraan het plan op dit onderdeel formeel getoetst moet worden. Wel is onderstaand inzicht gegeven in de uitkomsten van het onderzoek.
Conclusie
Voor de effectbeoordeling van hernieuwbare opwek is kwalitatief gekeken naar de bijdrage die het plan levert aan de totale duurzame opwek voor Den Haag, uitgaande van de minimale eisen die vanuit de BENG gesteld worden. De mate van lokale opwek van duurzame energie is vastgelegd in de BENG-normering. De BENG 3 indicator gaat specifiek over de eisen voor het gebruiken van hernieuwbare energie. Voor elk woningbouwproject geldt dat minimaal 50% van het totale energiegebruik hernieuwbaar opgewekt moet zijn. Voor utiliteitsgebouwen ligt dit percentage op 40%. Hernieuwbare bronnen zijn onder andere zonnepanelen (op daken) en het toepassen van WKO en TEO. Echter kan er in deze fase geen kwantitatieve beoordeling gedaan worden over de BENG 3-eis voor het plangebied. Hiervoor is een ontwerp nodig met meer specifieke uitgangspunten over onder andere het toepaste isolatieniveau en gebouwinstallaties. PV-panelen op daken zijn dus geen doel op zich, maar één van de mogelijke manieren om aan de BENG 3-eis te voldoen. In de praktijk worden vaak PV-panelen toegepast, maar het aantal en de dekking zijn afhankelijk van het ontwerp, de energiebehoefte en de gekozen installaties. Er is geen vast percentage of aantal panelen voorgeschreven. Daarnaast wordt in het plan een WKO-systeem voorzien met thermische energie uit oppervlaktewater (TEO). Deze technieken dragen ook bij aan het aandeel hernieuwbare energie.
PM
In het kader van het MER is onderzoek uitgevoerd naar de effecten van de ontwikkeling Laakhaven Centraal op grondstoffengebruik en mate van circulariteit. Voor dit onderzoek is gekozen voor een integrale en toekomstgerichte benadering van duurzaamheid en circulariteit in de bouw. De milieueffecten van het plan zijn beoordeeld aan de hand van de meest actuele wet- en regelgeving, beleidsdoelstellingen en best practices uit de sector. De analyse richt zich op drie hoofdthema’s:
De beoordeling heeft in hoofdzaak kwalitatief plaatsgevonden, waarbij keuzes voor materialen, ontwerpprincipes en circulaire strategieën zijn geëvalueerd op hun bijdrage aan duurzaamheid, innovatie en toekomstbestendigheid. Het kwantitatieve onderdeel van deze analyse betreft de MPG-berekening (Milieuprestatie Gebouwen) van de toegepaste bouwmaterialen. Deze berekening geeft inzicht in de milieu-impact per vierkante meter en vormt de basis voor het beoordelen van het plan ten opzichte van de geldende en toekomstige normen.
Het TAM-omgevingsplan Laakhaven Centraal voldoet aan de huidige wettelijke minimumeisen voor milieuprestatie. De MPG-score ligt net binnen de norm (0,8), terwijl materiaalgebonden emissies hoger zijn dan de streefwaarden en operationele emissies net binnen de norm blijven. Er is geen sprake van een substantiële reductie of innovatieve verduurzaming. Het plan bevat verder duidelijke ambities voor circulariteit, zoals het toepassen van gerecyclede en biobased materialen, het werken met materialenpaspoorten en het opstellen van een oogstplan voor sloop. In de praktijk is het aandeel circulaire materialen echter nog beperkt en afhankelijk van de beschikbaarheid op de markt. De exacte invulling en mate van circulariteit zijn nog niet volledig gegarandeerd. De ontwerpprincipes zijn gericht op losmaakbaarheid, aanpasbaarheid en toekomstig hergebruik, conform de eisen van Het Nieuwe Normaal. Dit biedt kansen voor verbetering en sluit aan bij de ambities voor circulair bouwen. Tegelijkertijd is de mate van realisatie afhankelijk van technische en praktische uitwerking in de komende jaren.
Conclusie
Het TAM-omgevingsplan Laakhaven Centraal legt planologisch de ruimte vast voor toekomstige ontwikkelingen en voldoet aan de wettelijke eisen die op dit niveau gelden. Specifieke technische eisen zoals MPG, BENG of WLC-GWP-normen zijn niet van toepassing op het omgevingsplan zelf, maar gelden pas bij de uitvoering van bouwprojecten binnen dit plan. Het TAM-omgevingsplan creëert dus de juridische basis; de invulling van ambities zoals Paris Proof en circulaire bouwmaterialen vindt plaats in latere projectfasen.
PM
Vanuit het beleid van de gemeente is de groei van werkgelegenheid en bedrijvigheid en een goed functionerende arbeidsmarkt belangrijke aspecten. Hierbij wordt ingezet op op clustervorming van de werkgelegenheid, het behouden, verdichten en benutten van bestaande bedrijventerreinen en diensten en kleinschalige bedrijvigheid terugbrengen in de wijk. Ook de provincie zet in op een toekomstbestendige economie.
Conclusie
Om ruimte te maken voor de nieuwe functies, waaronder wonen, wordt een groot deel van de huidige bebouwing gesloopt. Een klein deel van de bestaande kantoorruimte en bedrijfsruimte blijft behouden. Alle andere gebouwen worden gesloopt. Naast het wonen komt er ook nieuwe ruimte met een werkfunctie terug. Deze is qua invulling gevarieerder dan in de huidige situatie, omdat een deel van de inrichting meer gericht is op de maatschappelijke basisbehoeften van de nieuwe bewoners, zoals onderwijs, zorg en welzijn, kunst en cultuur, sport en overige maatschappelijke functies (zoals een buurthuis). Daarnaast komt er retail terug in het gebied, net als kantoor, bedrijfsruimte en horeca. Voor retail, kantoor en bedrijfsruimte neemt het oppervlak bvo af in de nieuwe situatie. Voor alle andere functies neemt het oppervlak bvo toe. Het daadwerkelijk effect op de werkgelegenheid is afhankelijk van veel factoren en is nu nog in te schatten. Dit hangt af van de exacte invulling van de functies.
Vanuit de Omgevingsvisie 2050 wil de gemeente Den Haag investeren in onderwijs. Het gaat hierbij om het verder profileren en verbinden van een netwerk van locaties in de stad waar werken, leren en innoveren met bijbehorende partijen samenkomen. Het is de bedoeling om onderwijsinstellingen over de stad te verspreiden en te combineren met wonen en economische activiteiten.
Conclusie
De gemeente wil ruimte geven aan werken, leren en innoveren. Dit wordt onder andere gedaan door het clusteren van onderwijs en werkgelegenheid. Hiervoor gebruikt Den Haag richtlijnen. De uitkomst van de richtlijn is een vertrekpunt. Aan de hand van de specifieke invulling van een gebied wordt vervolgens bepaald wat de behoefte is aan onderwijs. Voor het plangebied is het in de planregels mogelijk gemaakt om een basisschool te realiseren. Een middelbare school hoeft niet in het gebied te landen, dit vindt volgens de normen plaats op stadsdeelniveau. Deze is voorzien in de Binckhorst.
Onder de beweging Thuis in een divers Den Haag werkt de gemeente aan het mee laten groeien van voorzieningen met het aantal inwoners. Het gaat om een goede verdeling van scholen, sportmogelijkheden, ruimte voor cultuur, zorg- en welzijnsinstellingen, winkels en ontmoetingsplekken over de stad. Dagelijkse voorzieningen moeten voor alle inwoners snel en makkelijk bereikbaar zijn. Zo geeft de gemeente invulling aan de 15-minutenstad. De gemeente gebruikt richtlijnen en richtinggevende normen om te sturen op de aanwezigheid van voldoende voorzieningen in de stad. Richtinggevende normen zijn hierbij een hulpmiddel om tot leefbare wijken te komen.
Conclusie
In het plangebied worden verschillende maatschappelijke voorzieningen gerealiseerd. Er komt een basisschool, ruimte voor zorg en welzijn, kunst en cultuur, sport en overige maatschappelijke functies (bijvoorbeeld buurthuis, maatschappelijk werk). Voor de thema’s onderwijs, zorg en welzijn en sport zijn er richtlijnen voor nieuwe gebiedsontwikkelingen. Voor kunst en cultuur zijn er richtinggevende normen. Er is genoeg ruimte gereserveerd in het plangebied voor de diverse maatschappelijke voorzieningen.
Voor het thema mobiliteit zijn verschillende beoordelingsaspecten beschouwd: verplaatsingswijze, fiets- en voetgangersverbindingen, verkeersafwikkeling en - doorstroming, verbindingen met omgeving, parkeren en verkeersveiligheid. Deze zijn hieronder beschreven.
Verplaatsingswijze
Voor dit beoordelingsaspect is uitsluitend gemeentelijk beleid van toepassing. Aan de hand van het verkeersmodel van de Metropoolregio Rotterdam – Den Haag (het V-MRDH model), versie 3.0.2, is de modal split beoordeeld. De modal split laat zien wat het aandeel is van vervoerswijzen in de totale mobiliteitsvraag. Het verkeersmodel geeft inzicht in het aandeel reizigers dat per gemotoriseerd verkeer, OV of fiets onderweg is. Door de ontwikkeling van Laakhaven Centraal zal de modal split in zeer beperkte mate in positieve zin wijzigen.
Fiets- en voetgangersverbindingen
Voor dit beoordelingsaspect is uitsluitend gemeentelijk beleid van toepassing. In de plansituatie is er een duidelijke verbetering zichtbaar, er zijn veel meer verbindingen toegevoegd: tussenstraatjes, doorsteken en nieuwe routes zorgen voor een grotere hoeveelheid verbindingen. Ook de breedte van de paden/verbindingen wordt vergroot.
Verkeersafwikkeling en – doorstroming
Voor dit beoordelingsaspect is uitsluitend gemeentelijk beleid van toepassing. Voor het beoordelen van de verkeersdoorstroming en verkeersafwikkeling van is gebruik gemaakt van het V-MRDH-verkeersmodel versie 3.0.2. Op basis van het verkeersmodel is een analyse gemaakt van de intensiteit/capaciteit-verhoudingen (I/C-verhoudingen) op wegvakken en kruispuntverzadigingen.
In het verkeersmodel zijn de kruispuntverzadigingen visueel weergegeven voor de ochtend- en avondspits. De I/C-verhouding is ook weergegeven voor de ochtend- en avondspits. De kruispuntverzadigingen en de I/C-verhoudingen voor de verschillende scenario’s zijn vervolgens met elkaar vergeleken en aan de hand van CROW-richtlijnen beoordeeld.
In de plansituatie blijft de I/C-verhouding (intensiteit/capaciteit) op de wegvakken in zowel de ochtend- als avondspits zodanig dat de infrastructuur voldoende capaciteit biedt om het verkeer af te wikkelen. De kruispuntbelasting bij het kruispunt Calandstraat–Waldorpstraat blijft net voldoende, evenals bij het kruispunt Van der Kunstraat–Calandstraat in zowel de ochtend- als avondspits. De kruispuntbelasting bij het kruispunt Neherkade – Calandstraat blijft ook net voldoende in de ochtendspits, maar loopt op in de avondspits. Bij het kruispunt Neherkade – Leeghwaterplein is er geen kruispuntbelasting gegeven in de ochtendspits, maar wordt de belasting als zeer goed geclassificeerd in de avondspits. De verkeersintensiteit van motorvoertuigen neemt vooral toe in de Calandstraat, wat wijst op een verhoogde druk op dit deel van het netwerk. Ook op de Waldorpstraat en het Leeghwaterplein is sprake van een stijging in verkeersintensiteit, wat aandacht vraagt voor de toekomstige doorstroming.
Verbindingen met omgeving
Voor dit beoordelingsaspect is uitsluitend gemeentelijk beleid van toepassing. Voor het beoordelen van de mate waarin Laakhaven Centraal is verbonden, zijn eerst de CROW-richtlijnen gebruikt om inzicht te krijgen in de te hanteren normen voor maaswijdte. Met maaswijdte wordt de maximale afstand bedoeld tussen bijvoorbeeld twee goed toegankelijke verbindingen of oversteekplaatsen voor fietsers en voetgangers, waarmee de bereikbaarheid van het netwerk wordt beoordeeld. Vervolgens is een analyse gemaakt van het kaartmateriaal en de plannen. Hierbij is specifiek gekeken naar de ligging van oversteekplaatsen en het openbaar vervoer, hoe deze passen binnen het bestaande, autonome en geplande netwerk. Vervolgens is de afstand tussen verschillende verbindingen en oversteeklocaties gemeten, om te beoordelen of deze binnen de gestelde normen voor bereikbaarheid en toegankelijkheid vallen.
Voetganger
In de plansituatie is een voetgangersbrug voorzien over de Laakhaven naar de Neherkade en de achterliggende buurt. Dit verbetert de verbindingen van het Laakkwartier met de omgeving voor de voetganger aanzienlijk.
Fietser
In de plansituatie verandert het aantal fietsverbindingen richting het Laakkwartier niet. De geplande voetgangersbrug over de Laakhaven is niet bedoeld voor fietsers. Wel verschuiven twee bestaande fietsverbindingen richting de campus naar andere routes richting de campus, zonder dat het totaal aantal verbindingen verandert.
Openbaar vervoer
In de plansituatie is geen verandering te zien in de lijnvoering of het aantal OV-haltes.
Parkeren
Voor dit beoordelingsaspect is het gemeentelijk beleid van toepassing. Voor het beoordelen van de parkeersituatie is een analyse uitgevoerd op basis van de verhouding tussen parkeercapaciteit en parkeerbehoefte. Hierbij is gekeken of de beschikbare capaciteit voldoet aan de normering, oftewel: of het aantal parkeerplaatsen aansluit bij de verwachte vraag.
Verkeersveiligheid
Voor dit beoordelingsaspect is uitsluitend gemeentelijk beleid van toepassing. Voor het beoordelen van de verkeersveiligheid in het plangebied is een combinatie van kaartmateriaal, verkeersmodellen en aanvullende bronnen gebruikt. Daarbij is specifiek gekeken naar locaties waar langzaam en snel verkeer elkaar kruist, zoals oversteekpunten en haakse conflictlocaties. In de plansituatie verandert het verkeersbeeld ingrijpend. Zo verdwijnt het motorvoertuigenverkeer binnen het plangebied volledig. Dit betekent dat de verkeersdruk van gemotoriseerd verkeer in het gebied sterk afneemt, wat positief is voor de verkeersveiligheid in het gebied. Tegelijkertijd ontstaan er nieuwe conflictpunten, door de komst van mobiliteitshubs, parkeergarages en tussenstraten. De Waldorpstraat is een belangrijk aandachtspunt. In de autonome situatie was deze straat vrijwel autovrij, maar in de planvariant stijgt de intensiteit naar 3.500-5.000 motorvoertuigen per etmaal. Dit komt door de geplande voorzieningen aan de straat, zoals de mobiliteitshub en de parkeergarages. Ook ligt het tweerichtingenfietspad in de autonome situatie aan één kant van de weg, maar komt er in de plansituatie aan beide kanten van de weg een (eenrichtingen)fietspad. Hierdoor ontstaan meerdere nieuwe conflictpunten. Dit zijn conflictpunten tussen de fietsers over de Waldorpstraat en in- en uitrijdend verkeer van de parkeergarages en mobiliteitshub. Ook zijn bij het kruispunt Calandstraat – Verheeskade oversteekplaatsen gepland, wat een toename van het aantal conflictpunten is.
Ook neemt het conflict tussen langzaam en snel verkeer toe bij de kruising van de Van der Kunstraat en het Leeghwaterplein, voornamelijk door de toename van fietsers. In het plan is niet opgenomen hoe dit kruispunt geregeld gaat worden, maar in de huidige situatie ontbreken verkeerslichten en veilige oversteekplaatsen voor fietsers, terwijl de maximumsnelheid voor het autoverkeer 50 km/u bedraagt. Daarnaast ligt er een trambaan die overstoken wordt. In het plangebied is voorzien dat voetgangers en fietsers de straten delen. Door de lagere snelheden ten opzichte van de autonome situatie is dit positief voor langzaam verkeer. Hierdoor neemt de kans op (zwaarder) letsel af bij ongevallen. Wel vragen de gedeelde straten om extra aandacht voor verkeersveiligheid, vooral voor conflicten tussen voetgangers en fietsers. Dit verdient extra aandacht door de algemene trend in toename van e-bikes, fatbikes en transport-e-bikes en de daarbij horende hogere snelheden en massa ten opzichte van normale fietsen. Door de flinke toename van het aantal fietsers wordt dit als een aandachtspunt gezien dat nadere uitwerking verdient.
In het plangebied zijn daarnaast conflictlocaties tussen de in- en uitgangen van parkeergarages, die net in het plangebied liggen en de interne fiets- en voetgangersstructuur. Het aantal fietsers en kruisende motorvoertuigen wisselt hier en is door de nauwkeurigheid van het verkeersmodel niet te aan te geven. De parkeergarages zijn hier namelijk niet als herkomst- en bestemmingslocaties opgenomen, maar er worden conflictpunten voorzien tussen (afslaand) gemotoriseerd verkeer en fietsers en voetgangers.
De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (verder Bro). Op basis van artikel 5.129g van het Bkl blijft een toetst aan de Ladder ook met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. In de toelichting bij bestemmingsplannen dient verantwoord te worden dat er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen, werken, detailhandel en voorzieningen.
De ladder voor duurzame verstedelijking is alleen van toepassing op een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe plan meer bebouwing mogelijk maakt, of dat een functiewijziging van zodanige aard en omvang plaats vindt dat om die reden sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724), is een overzicht gegeven van wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In dat kader is Laakhaven Centraal aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
De ontwikkeling vindt geheel plaats in stedelijk gebied, aangezien in de huidige situatie binnen het plangebied sprake is van diverse stedelijke functies, waaronder bedrijvigheid, kantoren en een winkelcentrum. De ontwikkeling dient getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hiervoor is een onderbouwing opgesteld. Het betreft de Nota Verantwoording programma, wonen, werken en voorzieningen Laakhavens Hollands Spoor. Deze is opgenomen in de bijlage. De beknopte resultaten daarvan zijn hieronder weergegeven.
Behoefte aan woningen
In het TAM-plan voor Laakhaven Centraal worden 5.536 tot 6.086 woningen mogelijk gemaakt. Dit blijft ruim binnen de indicatieve woningbouwbehoefte van 9.000 woningen, zoals omschreven in de Structuurvisie CID. Ook past dit binnen de woningbouwbehoefte van de regionale afspraken en het gemeentelijke woonbeleid. De woningbouwbehoefte is nader onderbouwd in Hoofdstuk 3 en 4.
Behoefte aan bedrijfsruimte
In de Economische Visie Den Haag+ 2030 (RIS303550) is opgenomen dat structureel wordt ingezet op meer banen in Den Haag en de regio. Dit is nodig omdat de bevolking flink groeit en om te zorgen dat Den Haag economisch en sociaal-maatschappelijk op peil blijft. Om voldoende ruimte voor werken te borgen is beleid opgenomen in het Programma Bedrijfshuisvesting (RIS318691). Uit dit programma blijkt een tekort aan bedrijfsruimten in Den Haag en de regio.
De ambitie voor Laakhaven Centraal is om het gebied uit te laten groeien tot een evenwichtige stadswijk met een gezonde woon-werkbalans, waarbij bedrijfsruimte terugkomt in een vorm die past bij stedelijk wonen. In Hoofdstuk 4 is nader onderbouwd waar welke type bedrijvigheid mogelijk kan worden gemaakt.
Het uitgangspunt voor bedrijfsruimte (BOG) is het terugbrengen van minimaal 21.000 tot 30.000 m2 BVO in Laakhaven Hollands Spoor, waarvan 21.000 tot 28.000 m2 BVO in Laakhaven Centraal. Om zwaardere bedrijven (categorie 3.1) binnen het gebied te kunnen verplaatsen wordt ingezet op 1.000 tot 1.500 m2 BVO bedrijfsruimte met categorie 3.1.
Voor hogere milieucategorie bedrijvigheid vindt planologische compensatie plaats op de GAVI-Kavel (RIS 321166). Daarnaast is gezien het tekort aan ruimte voor bedrijvigheid in Den Haag een separaat plan van aanpak opgesteld voor andere locaties in de stad om ruimte voor de verplaatsingsvraag mogelijk te maken.
Kleinschalige bedrijfsruimten tot 500 m2 wordt als een van de kansrijke segmenten voor Laakhavens geacht, door de centrale ligging in de stad. Deze kleinschalige units zijn gericht op de Next Economy van het CID en dit segment is ook goed te combineren met woningen, mits ruimtelijk goed uitgewerkt. Daarnaast groeit de creatieve sector ster in Den Haag en ik ook hiervoor een tekort aan bedrijfsruimtes en bedrijfsverzamelgebouwen. De Binckhorst is primair gericht op startups in de creatieve sector, maar ook Laakhavens kan goed voorzien in een deel van dit tekort door de koppeling met Haagse Hogeschool. Tot slot is Laakhavens door de nabijheid van praktijkgericht onderwijs (HHS en ROC Mondriaan) een aantrekkelijke locatie voor kleinschalige bedrijven in de verschillende clusters.
De bedrijfsterreinen past wat betreft logistiek stromen bij de ambitie om de ‘walkability’ binnen het CID te vergroten. Daarnaast positioneren de bedrijfsruimtes zich aan de buitenzijde van het gebied, zodat zo min mogelijk vermenging plaatsvindt van logistiek verkeer (ruis) en het woongebied met commercieel plinten (rust en reuring).
Behoefte aan kantoren
Rond station Hollands Spoor ontstaat een toplocatie voor kantoren en ontmoetingsplekken, in lijn met de Structuurvisie CID en de Haagse Kantorenstrategie (RIS300807). Dit gezien de samenkomst van de strategische ligging en uitstekende bereikbaarheid, de toenemende stedelijke dynamiek met ook het aanwezige onderwijs en talent en het vergroten van de aantrekkelijkheid van de openbare ruimte en het vestigingsklimaat.
De schaarste aan kwaliteitskantoren in het CID is de afgelopen periode verder toegenomen en vraagt om nieuwe (gemengde) ontwikkelingen. De opgave voor kantoren is het zoveel mogelijk terugbrengen van bestaande kantorenmeters in Laakhaven Centraal en een netto groei direct rondom het station HS van 55.000 m2 BVO.
Laakhavens biedt kwaliteiten om verder te groeien als nieuwe en moderne kantoorlocatie: het ligt op korte afstand van het centrum, met veel voorzieningen en nabij zowel het OV-knooppunt als de snelweg. Laakhavens biedt door deze plek ruimte voor scale-ups, grown-ups en (internationale) grootschalige kantoren. Samen met de Binckhorst (startups) en de gevestigde kantorenlocatie in het centrum, ontstaat er zo een derde krachtige business district in het CID. Daarnaast is de locatie geschikt voor flexibele kantoorconcepten voor ontmoeting, vergaderen of werken. Flexibele kantoorconcepten kunnen goed in een gebouw gecombineerd worden met een hotel en/of horecavoorzieningen.
Behoefte aan commerciële voorzieningen
In Laakhaven Centraal ontstaat een nieuwe concentratie van woningen, waarmee de behoefte aan commerciële voorzieningen toeneemt. In de omliggende wijken zijn enkel kleinschalige voorzieningenclusters.
| Commerciële voorzieningen | Omvang (m2) |
| Woonwinkels (retail I) | 10.000-14.000 |
| Dagelijkse detailhandel (retail II) | 3.000-4.500 |
| Niet dagelijkse detailhandel (retail III) | 3.000-5.250 |
| Dienstverlening | 500-2.166 |
| Leisure | 6.000-10.700 |
| Horeca | 2.600-6.664 |
Op basis van landelijke trends en ontwikkelingen is in de rapportage van Bureau Stedelijke Planning, een inschatting gemaakt van wijkverzorgende leisurefuncties en leisure met een wijkoverstijgend karakter. In deze studie is ook een distributieve berekening gemaakt voor de dagelijkse en niet-dagelijkse sector. Bij die berekeningen is rekening gehouden met een Megastores. Voor horeca is ook ruimte vanwege de goede ligging en de potentie te kunnen hebben voor een verzorgingsgebied dat groter is dan Laakhavens zelf. Er kan geconcludeerd worden dat met dit programma niet het maximum van de marktbehoefte wordt opgezocht.
Behoefte maatschappelijke voorzieningen
In Laakhaven Centraal ontstaat ook behoefte aan maatschappelijke voorzieningen, zoals onderwijs, zorg- en welzijn, sport en overige functies. Het programma is gebaseerd op richtinggevende normen die zijn opgenomen in de nota Haagse richtinggevende normen voor maatschappelijke voorzieningen en groen 2024 (RIS317835). Gezien de Haagse bevolkingsgroei zullen deze extra voorzieningen nodig zijn en geen negatief effect hebben op bestaande voorzieningen in de omliggende wijken.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het plan past binnen in de gemeentelijke uitgangspunten en voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Op zichzelf kent het thema bedrijven en milieuzonering geen wettelijke regels. Voor het beoordelen van dit thema wordt in de regel gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn richtafstanden opgenomen voor geluid, geur, stof en gevaar. Met de komst van de Omgevingswet zijn voor onderdelen van de bedrijven en milieuzonering specifieke instructieregels, bijvoorbeeld voor geluid, opgenomen waaraan bij het opstellen van een omgevingsplan aan moet worden voldaan. Deze instructieregels zijn ook van toepassing op dit TAM-plan.
De VNG-publicatie biedt een beoordelingskader voor de ruimtelijke inpassing van bedrijfsmatige activiteiten, waarbij meerdere stappen worden doorlopen. In eerste instantie wordt de afstand tussen de grens van de bedrijfsbestemming en de gevel van een milieugevoelig gebouw (zoals een woning) getoetst aan een richtafstand. Voor (deel)gebieden met functiemenging, waar richtafstanden geen geschikt toetsingsinstrument zijn, wordt beoordeeld of de activiteiten naar hun aard inpasbaar zijn. De ruimtelijke aanvaardbaarheid van de ontwikkeling is op basis van deze aanpak onderzocht. Bij constatering dat de richtafstand groter is dan de werkelijke afstand of als om andere redenen inpassingsproblemen te verwachten zijn, worden de potentiële knelpunten benoemd. De op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving toegestane geluidsniveaus op geluidsgevoelige gebouwen worden daarbij als beoordelingscriterium gehanteerd.
Conclusie
In de planopzet is rekening gehouden met de richtafstand van 30 meter tot geluidsgevoelige gebouwen in relatie tot activiteiten die vallen in milieucategorie 3.1. Overige activiteiten met een potentieel effect op de omgeving zijn beperkt tot de functies — anders dan wonen — die worden gerealiseerd in de eerstelijns bebouwing. Dit betreft voornamelijk detailhandel en kantoren. Activiteiten die vallen in milieucategorie 1 of 2 zullen doorgaans kunnen voldoen aan de geluidwaarden op grond van § 5.1.4.2.2 van het Bkl. Dit geldt ook in gebieden met functiemenging, zoals hier het geval is. Ook bij de locaties met een zwaardere categorie (3.1) wordt rekening gehouden met de richtafstanden, waardoor de activiteiten in beginsel kunnen voldoen aan de standaardwaarden op grond van het Bkl. Voorzieningen binnen het plan die stemgeluid veroorzaken, zijn vooral schoolpleinen en terrassen bij horecagelegenheden. Piekgeluiden vanwege het laden en lossen van goederen doen zich vooral voor bij detailhandel en mogelijk ook bij kleine bedrijven.
Bij de gebiedsontwikkeling van Laakhavens Hollands Spoor is het van belang grip te houden op de programmatische kaders en beleidsmatige doelstellingen. Dit geldt niet alleen in het totale gebied Laakhavens Hollands Spoor en de diverse ontwikkelplots, maar ook tussen de verschillende deelgebieden binnen het CID. Dit doen we met behulp van een uitgebreide monitoringstool. De monitoring vindt plaats op CID niveau. Hierbij wordt voor de deelgebieden binnen het CID bijgehouden welk deel van een programma gerealiseerd is en of bijsturing nodig is.
Bij de monitoringstool worden de woningaantallen, het werkprogramma en voorzieningen (inclusief groen) afgezet tegen de ambities uit de structuurvisie en vastgestelde toekomstplannen. Hierdoor blijft een evenwichtige ontwikkeling van de diverse deelgebieden binnen het CID mogelijk. Zo nodig kan bijgestuurd worden door een uitwisseling qua programma tussen de deelgebieden mogelijk te maken, bijvoorbeeld wanneer in een deelgebied minder woningen worden gebouwd deze opgave deels gerealiseerd kan worden in een ander deelgebied.
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (hierna: ‘een aangewezen bouwactiviteit’). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.
Er wordt op gebiedsniveau een samenwerkingsovereenkomst (SOK) gesloten tussen de gemeente en ontwikkelaars. Voor het plan worden daarnaast een anterieure overeenkomsten gesloten tussen de gemeente en de ontwikkelaars op projectniveau. Ook zal een planschadeovereenkomst worden opgesteld. Daarmee is het kostenverhaal anderszins verzekerd. Het plan wordt hiermee economisch uitvoerbaar geacht.
De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het Omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.
In het voortraject heeft met diverse stakeholders in het gebied intensieve participatie plaatsgevonden over o.a. de Structuurvisie CID en over de kaderstellende producten van het Toekomstplan Laakhavens Hollands Spoor: de Ontwikkelvisie, het Beeldkwaliteitsplan en het Buitenruimteplan. Op 18 juni 2025 is een brede informatiemarkt Laakhavens Hollands Spoor voor bedrijven en omwonenden georganiseerd om hen te informeren over het Toekomstplan Laakhavens Hollands Spoor en over het TAM-Omgevingsplan Laakhaven Centraal met bijbehorende MER. Daarnaast zijn ondernemers in het gebied in een separaat traject geïnformeerd over de gebiedsontwikkeling en de bijbehorende verwerving van bedrijven. O.a. door een speciale bijeenkomst op 20 februari 2025. Ook heeft de gemeente contact met de ondernemers in de MegaStores.
Het MER en TAM geven de juridische uitwerking van deze eerder vastgestelde kaders. Daarom zal geen extra participatie plaatsvinden in het kader van het TAM en MER. Wel zal een informatiebijeenkomst worden georganiseerd bij de ter inzagelegging van het ontwerp TAM en MER. Daarnaast kan eenieder reageren door een zienswijze in te dienen op het plan.
Participatie
Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit dient bij de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen te worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. Dit geldt ook voor het TAM-plan. Bij het vaststellen van een omgevingsplan wordt hier verslag van gedaan. Hierbij wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Dit voornemen is op 22 oktober 2025 gepubliceerd.
Bij het TAM-Omgevingsplan is aangesloten bij de uitgevoerde participatie voor het Toekomstplan Laakhaven Centraal en bijbehorende producten (ontwikkelvisie, ontwikkelstrategie, beeldkwaliteitsplan, buitenruimteplan). Participatiemomenten ten behoeve van de ontwikkelingen binnen Laakhaven Centraal zijn terug te vinden op
https://projecten.denhaag.nl/gebied/central-innovation-district/ontwikkelingen-in-laakhavens-hollands-spoor/. Hieronder vallen bewonersavonden, en vooroverleg met de betrokken bestuursorganen (provincie Zuid-Holland, Omgevingsdienst Haaglanden, Hoogheemraadschap Delfland). Op de informatiemarkt van 18 juni 2025 heeft daarbij ook een specifieke stand voor het MER en het TAM-Omgevingsplan gestaan, zie bijlage X. Het verslag van deze informatiemarkt is terug te vinden op bovengenoemde website.
Overleg
Het voorliggende plan is voorgelegd aan de (interne en externe) vooroverlegpartners. Te reactie van de vooroverlegpartners in het kader van de procedure richting vaststelling worden verwerkt.
Door de komst van de Omgevingswet stellen alle gemeenten een omgevingsplan vast. Hierin komt een grote hoeveelheid regels over de fysieke leefomgeving bij elkaar. Denk aan regels over bouwen, gebruik van gebouwen, monumenten, water en milieubelastende activiteiten.
Vanaf de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024, heeft Den Haag automatisch een tijdelijk omgevingsplan ‘van rechtswege’ gekregen. Daarin staan de huidige bestemmingsplannen nog gewoon zoals ze waren. Samen met specifieke regels over bouwen en milieu die van het Rijk naar de gemeenten zijn gaan. Het integrale omgevingsplan is gepubliceerd met een nieuwe digitale standaard (STOP-TPOD).
In de eerste periode na inwerkingtreding van de Omgevingswet is het ook nog mogelijk om via de oude digitale standaarden te publiceren. Dit heeft het Rijk mogelijk gemaakt, op grond van artikel 11.1 van het Besluit elektronische publicaties. Met de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), kunnen deze wijzigingen van het omgevingsplan tijdelijk worden gepubliceerd via de oude digitale standaard (IMRO). Dat betekent:
Naast het TAM-Omgevingsplan geldt voor het plangebied ook de regels uit de bruidsschat. De regels uit het TAM-Omgevingsplan gaan voor op de regels uit de bruidsschat (hoofdstuk 22 van het omgevingsplan) voor zover die in strijd zijn met de regels van het TAM-Omgevingsplan. De regels van het TAM-Omgevingsplan Laakhaven Centraal gelden uitsluitend binnen het besluitgebied van dit TAM-Omgevingsplan.
| Beleidskader | Vertaling in het TAM-Omgevingsplan |
| Ruimtelijk beleid | |
| In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. De ladder voor duurzame verstedelijking is kaderstellend voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van de decentrale overheden. | Ten behoeve de ontwikkelingen in het plangebied is een ladder onderzoek uitgevoerd. De conclusies van dit onderzoek zijn verwerkt in de planregels. |
| De provinciale omgevingsverordening zet in op een samenhangend stedelijk en landschappelijk netwerk, goede bereikbaarheid van bestaande winkelconcentraties en kantoren, een divers aanbod van woon- en werkmilieus in een aantrekkelijk landschap met ruimte voor water, landbouw en natuur. | Ten behoeve de ontwikkelingen in het plangebied is een ladder onderzoek uitgevoerd. De conclusies van dit onderzoek zijn verwerkt in de planregels. |
| De provinciale omgevingsverordening laat uitbreiding van detailhandel slechts toe op plekken die gelegen zijn binnen bestaande winkelconcentraties en kantoren. | Detailhandels- en kantoren gerelateerde activiteiten die mogelijk worden gemaakt in dit TAM-Omgevingsplan voldoen aan het gestelde in de omgevingsverordening. |
| Plangebied toelichting | Toekomstplan Laakhavens Hollands Spoor (Ontwikkelvisie, Ontwikkelstrategie, Buitenruimteplan, Beeldkwaliteitsplan) |
| Masterplan | |
| Water | |
| Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'WBP6' is het strategisch werkplan van het Hoogheemraadschap van Delfland. Het Hoogheemraadschap draagt zorg voor het kwantiteits- en kwaliteitsbeheer van het oppervlaktewater, het beheer van de waterkeringen en het kwantiteitsbeheer van grondwater. | De ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het kader van dit TAM-Omgevingsplan voorzien hierin. |
| Groen | |
| Inzet is de Stedelijke Groene Hoofdstructuur duurzaam in stand te houden en waar mogelijk te versterken | Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de Stedelijke Groene Hoofdstructuur. Binnen het TAM-Omgevingsplan wordt evenwel een park gerealiseerd op de locatie ‘Groen’ |
| Verkeer en parkeren | |
| De Haagse Nota Mobiliteit hanteert een rangorde in haar wegenstructuur. Naast de hoofdwegen voor het doorgaande verkeer zijn er de wegen van een lagere orde die het verkeer tussen wijken en het buurtgebonden verkeer moeten afwikkelen: buurtontsluitingswegen (straten) en erfontsluitingswegen (verblijfs- en woonstraten). Verblijfsgebied ten slotte is openbare ruimte waar geen autoverkeer is toegestaan en waar de verkeersfunctie ondergeschikt is aan de verblijfsfunctie. | Binnen het TAM-Omgevingsplan is de functie ‘Verkeer’ voor gemotoriseerd verkeer mogelijk gemaakt aan de randen van het plangebied, verder zijn ontsluitingen voor parkeren binnen het gehele plangebied mogelijk gemaakt. Bij de tunnel bij de Waldorpstraat is ook railverkeer genoemd, nu boven de tunnel de spoorvoorziening vanuit station Hollands Spoor loopt. |
| De nota “ Nota parkeernormen CID en Binckhorst 2020” gaat mede in op het faciliteren van de parkeerbehoefte en het benutten van schaarse ruimte | In het plangebied wordt uitgegaan van een parkeerbehoefte volgens de Nota parkeernormen CID en Binckhorst 2020. |
| In “Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016 (RIS294386) is het gemeentelijk beleid ten aan zien van het stallen van fietsen vastgelegd. De beleidsregel gaat mede over het faciliteren van fietsparkeerbehoefte en het benutten van schaarse ruimte |
In het plangebied wordt uitgegaan van een fietsparkeernorm volgens de Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016. In bouwvlakken II, III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X, XI en XII in het ‘Woongebied’ is de “Leidraad Fietsparkeren van het CROW 2025” van toepassing. |
| Wonen | |
| De kern van de Woonvisie 2017-2030 houdt in dat als Den Haag zich meer op de kaart wil zetten als woonstad, de stad zich moet versterken door meer differentiatie in woonmilieus en woonsferen te creëren en de woonkwaliteit te verhogen. | Voor woningen zijn de verschillende categorieën uit de geldende Woonagenda in de regels opgenomen. |
| Economie | |
| Detailhandel en dienstverlening | Deze activiteiten worden binnen de locatie ‘woongebied' mogelijk gemaakt |
| Horeca | Deze activiteit wordt binnen de locatie ‘woongebied’ en ‘maatschappelijk’ mogelijk gemaakt |
| Kantoren | Deze activiteit wordt binnen de locaties ‘woongebied’ en ‘kantoor’ mogelijk gemaakt |
| Bedrijven | |
| Bedrijven met een milieuhindercategorie | Binnen ‘Bedrijf’ en ‘Woongebied’ zijn bedrijven met een maximale milieuhindercategorie van 2 toegestaan. Binnen ‘Kantoor’ zijn bedrijven met een maximale milieuhindercategorie van 3.1 toegestaan. Hierbij worden afstandsmaten gehanteerd ten opzichte van geluidgevoelige gebouwen, |
| Onderwijs, Welzijn, Culturele Voorzieningen en Maatschappelijke Zorg | |
| Onderwijs, Welzijn, culturele voorzieningen en Maatschappelijke zorg | Onderwijs wordt mogelijk gemaakt binnen de locatie ‘Maatschappelijk’. De overige activiteiten worden mogelijk gemaakt binnen de locaties ‘maatschappelijk’ en ‘woongebied’. |
| Sport en recreatie | |
| Sportvoorzieningen | Deze activiteit wordt mogelijk gemaakt binnen de locaties ‘Maatschappelijk’ en ‘Woongebied’. |
De regels zijn als volgt ingedeeld:
In artikel 1 wordt bepaald dat de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op het TAM-Omgevingsplan, uitgezonderd van de parapluherziening ‘flitsbezorging’ en een bestemmingsplan als bedoelt in artikel 4.6, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet is aanvulling op het TAM-omgevingsplan onverminderd van toepassing voor zover dit binnen de functieaanduiding ‘brug’ valt.
In de bijlage bij artikel 2 worden belangrijke begrippen die in het plan veel voorkomen, nader gedefinieerd.
Aandacht verdienen de begrippen aan-huis-gebonden bedrijf, en aan-huis-gebonden beroep. Wanneer in de regels wonen is toegestaan, is impliciet ook het uitoefenen van een aan-huis-gebonden bedrijf en/of beroep toegestaan.
Op basis van jurisprudentie mogen deze activiteiten:
In artikel 3 is aangegeven hoe afstanden en maten die in de regels worden voorgeschreven, moeten worden gemeten. Het definiëren van begrippen en de aanwijzingen voor het meten, vergroten de duidelijkheid en de rechtszekerheid.
Algemene regels
In de algemene regels zijn de verboden activiteiten en de generiek voor het gehele plangebied toegestane functies en activiteiten gereguleerd.
Woongebied
Deze locatie heeft betrekking op de beoogde nieuwbouw ten behoeve van wonen, de in de plint en stedelijke laag te ontwikkelen activiteiten en de bijbehorende openbare ruimte.
In het woongebied wordt hoogbouwontwikkeling mogelijk gemaakt, waarin maatschappelijke activiteiten, dienstverlening, bedrijven tot en met milieuhindercategorie 2, wonen, culturele activiteiten, sportactiviteiten en kantoor zijn toegestaan. Ook zijn fietspaden en laad- en losmogelijkheden voor logistiekverkeer mogelijk gemaakt binnen het ‘woongebied’.
In de gebruiksregels staan veelal de minimale en maximale bruto-oppervlaktes per activiteit voor de verschillende bouwvlakken. Als ook de maximering van de woningaantallen voor de bouwvlakken. In de maximering van bruto-oppervlaktes dan wel woningaantallen voor gezamenlijke bouwvlakken in totaliteit is gegeven is er een uitwisseling tussen de bruto-oppervlaktes en woningaantallen tussen de gezamenlijk genoemde bouwvlakken mogelijk.
In het woongebied bevinden zich de publiekgerichte voorzieningen zoals horeca, detailhandel en commerciële of maatschappelijke voorzieningen. Middelzware- en zware horeca is slechts toegestaan in de daartoe aangewezen bouwvlakken.
Met betrekking tot de activiteit wonen vermeldt het artikel tevens voorschriften voor woninggroottes, de exploitatie van sociale huurwoningen, middeldure huurwoningen, zorgwoningen en betaalbare koopwoningen.
Ten aanzien gestelde minimale percentages voor sociale huurwoningen, middeldure huurwoning/betaalbare koopwoning en zorgwoningen kan er een uitwisseling plaatsvinden tussen de genoemde bouwvlakken zolang de voorgeschreven percentages binnen het hele plangebied gerealiseerd worden.
Ten aan zien van de sociale huurwoningen op de Verheeskade geldt voor bouwvlak X dat het percentage sociale huurwoningen van 30% kan worden uitgewisseld met een ontwikkelplot gelegen buiten het plangebied, gelegen op het snijvlak tussen de Verheeskade en de Lulofsstraat, voor zover dit ontwikkelplot een hoger percentage sociale woning bouw realiseert en tevens wordt voldaan aan de 30% sociale woningbouw van het ontwikkelplot en bouwvlak X tezamen.
De onder j en k opgenomen maximale bouwhoogte van 35 meter is ten dienste van hoogteaccenten in de stedelijke laag ten opzichte van de aangrenzende openbare ruimte, de gemiddelde bouwhoogte van de stedelijke laag van het bouwvlak mag hierbij niet meer dan 25 meter bedragen en voor zover in de regels bepaald naar oordeel van het bevoegd gezag stedenbouwkundig aanvaardbaar is.
Op de verbeelding binnen het ‘woongebied’ is de maatvoering voor de torens gegeven. De maatvoeringsvlakken van de torens kunnen met maximaal 3 meter worden verschoven, mits dit stedenbouwkundig aanvaardbaar wordt geacht.
Indien op de verbeelding een maatvoering voor een bebouwingpercentage is aangegeven, mag binnen dit maatvoeringsvlak het bebouwd oppervlak niet meer bedragen dan het opgegeven bebouwingspercentage.
Op de verbeelding zijn eveneens uitkragingen buiten het bouwvlak mogelijk gemaakt middels de bouwaanduiding ‘uitkraging'. Wel zijn er beperkingen opgenomen ten aanzien van de omvang, lengte en hoogte van de uitkraging. In de algemene bouwregels zijn hierover nog aanvullende eisen gesteld.
Ter plaatse van de functieaanduiding ‘parkeergarages’ zijn voor zover in de regels aangegeven bovengrondse parkeergarages toegestaan.
Groen
Op deze locatie is het beoogde groen ten behoeve van een park met een openbare functie opgenomen. Ook is voor 50% binnen de als groen aangewezen locatie een ondergrondse parkeergarage toegestaan.
Kantoor
Deze locatie is toegekend aan de nieuw te ontwikkelen kantoren en bedrijvigheid . Op de locatie zijn bedrijven tot en met milieuhindercategorie 3.1 van de bij het TAM-omgevingsplan behorende ‘Staat van bedrijven op bedrijventerreinen’ toegestaan. Deze lijst is opgenomen in Bijlage 3 van de regels. Het TAM-omgevingsplan volgt hierbij de systematiek van milieuhindercategorieën, zoals die voorheen was vastgelegd in de brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).
Kantoren zijn binnen het gehele bouwvlak toegestaan, voor bedrijven in de hogere milieucategorie geldt een afstandsmaat tot geluidgevoelige gebouwen buiten het plangebied.
Bedrijf
Binnen de als 'bedrijf' aangewezen locatie zijn bedrijven in milieuhindercategorieën 1 en 2 van de bij het TAM-Omgevingsplan behorende ‘Staat van bedrijven op bedrijventerreinen’ toegestaan. Deze lijst is opgenomen in Bijlage 3 van de regels. Het TAM-Omgevingsplan volgt hierbij de systematiek van milieuhindercategorieën, zoals die voorheen was vastgelegd in de brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).
Maatschappelijk
‘Maatschappelijk’ is toegewezen aan de locaties binnen het plangebied bedoeld voor onder andere onderwijs, buurtcentra, sportvoorzieningen, zorg en welzijn, jeugd-/kinder-/buitenschoolse opvang en peuterspeelzalen. Ook worden er binnen de functie ‘maatschappelijk’ een gemaximeerd aantal woningen gerealiseerd.
In de verbeelding is een bebouwingspercentage opgenomen voor het deel van de bouwvlakken wat voor maximaal 50% mag worden bebouwd.
Verkeer
Deze locatie heeft betrekking op de in het plangebied opgenomen rijbanen voor het gemotoriseerde verkeer ten behoeve van de ontsluiting van het plangebied. Fietspaden, als ook parkeren is eveneens toegestaan.
Ter plaatse van de functieaanduiding ‘tunnel’ is de beoogde tunnel vanaf de Waldorpstraat toegestaan.
Ter plaatse van de functieaanduiding ‘brug’ is de boogde brug tussen de Verheeskade en de Neherkade toegestaan. De onder het in het besluit als bedoeld in artikel 4.6 onder g van het Invoeringswet Omgevingswet, te weten een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, geldt hierbij in aanvulling op de regels uit het TAM-oOmgevingsplan.
Ter plaatse van de functieaanduiding is de spoorwegvoorziening die binnen het plangebied toegestaan, gelegen boven de functieaanduiding ‘tunnel’.
Leiding – Riool
Door het plangebied loopt een rioolpersleiding. Deze gronden zijn ook aangewezen voor Leiding –Riool. De gronden zijn primair aangewezen voor een rioolpersleiding en secundair voor de andere geldende functies en activiteiten.
Thermische energie uit oppervlakte water
Door het plangebied loopt de beschermingszone voor een leiding en in- en uitlaten ten behoeve van thermische energie uit oppervlaktewater. De gronden zijn primair aangewezen voor een leiding ten behoeve van thermische energie uit oppervlaktewater en secundair voor de andere geldende functies en activiteiten. .
Algemene bouwregels
De algemene regels voor bouwen gelden voor alle functies en activiteiten binnen het plangebied. In eerste plaats wordt hierin nu ook algemeen gesteld dat niet buiten de bebouwingsgrenzen mag worden gebouwd, noch dat bebouwingspercentages mogen worden overschreden. Kleine overschrijdingen van deze grenzen voor stoepen, kozijnen en dergelijke zijn wel toegestaan. Grote overschrijdingen van deze grenzen voor overstekende daken en soortgelijke delen van gebouwen zijn tot een bepaalde omvang ook toegestaan. Verder is algemeen voorgeschreven dat bouwwerken beneden peil uitsluitend zijn toegestaan binnen een bouwvlak, dat deze ondergrondse bebouwing uit niet meer dan één bouwlaag mag bestaan en is de bouw van installaties voor mobiele telecommunicatie in principe toegestaan op alle gebouwen met uitzondering van rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of gebouwen in een rijksbeschermd stadsgezicht.
De algemene bouwregels zijn in aanvulling op artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Algemene gebruiksregels
In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod opgenomen: het is verboden de in het plan begrepen gronden en de zich daarop bevindende opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de toegestane functies of activiteiten of met de regels van het plan. Er is expliciet aangegeven dat onder zulk gebruik ook wordt begrepen het gebruik als opslagplaats voor voorwerpen, stoffen en materialen die niet meer bruikbaar zijn of niet meer worden gebruikt waarvoor ze zijn bedoeld en het gebruik als sekswinkel, seksinrichting, paddoshop of belwinkel.
Als de activiteit wonen is toegestaan, is impliciet ook het uitoefenen van een aan huis verbonden bedrijf en/of beroep toegestaan. In de algemene gebruiksregels is ook een regeling vervat voor het uitoefenen van een aan huis verbonden bedrijf en/of beroep:
Op grond van de milieuwetgeving uit de Omgevingswet vergunning- of meldingplichtige activiteiten passen uiteraard niet in de woonomgeving. Maar ook indien een activiteit niet vergunning- of meldingplichtig is, bestaat er kans op ongewenste overlast voor de omgeving, bijvoorbeeld geluid- of geurhinder. Dit kan met name het geval zijn bij de meer ambachtelijke beroepen. Van geval tot geval dient de (kans op) hinder voor de woonsituatie te worden nagegaan. Uitgangspunt bij de beoordeling is dat de hinder in principe niet onevenredig veel groter mag zijn dan in redelijkheid bij 'normale' bewoning (zonder beroepsuitoefening) het geval zou zijn.
Van belang is dat het karakter van de woning duidelijk herkenbaar blijft en dat de nadruk niet komt te liggen op de beroepsuitoefening. Ter illustratie: reclame-uitingen, anders dan een bescheiden 'bordje naast de deur' of de uitstalling van goederen op het bijbehorende erf betekenen reeds dat aan het karakter van de woning afbreuk wordt gedaan.
Detailhandel en horeca leveren in de regel een zodanig ongewenste verkeersaantrekkende werking op, dat het toelaten ervan in woongebied niet zonder meer passend wordt geacht.
Ook deze (direct meetbare) voorwaarde draagt eraan bij dat de eventuele hinder voor de omgeving wordt beperkt. Wanneer bijvoorbeeld de woning (vrijwel) geheel zou worden aangewend voor de beroepsuitoefening, is de kans op een ongewenste uitstraling naar de omgeving relatief groot.