direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Laakhaven Centraal
Status: concept
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0518.TAMLaakCen-20CO

Regels

Dit besluit is gericht op het mogelijk maken van een gewenste ontwikkeling binnen Laakhaven Centraal. Dit besluit zorgt ervoor dat er juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) wordt opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Den Haag. Om te zorgen dat dit besluit ook gelezen kan worden als een hoofdstuk in het omgevingsplan, gelden de volgende aanwijzingen. 

1. de 'hoofdstukken' die zijn opgenomen in dit besluit moeten worden gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Den Haag. 

2. in de kop van de artikelen in dit besluit moet steeds na het woord 'Artikel' (na de spatie en direct voor het artikelnummer) '22a' worden gelezen. 

3. in de kop van de bijlagen in dit besluit moet na het woord 'Bijlage' (na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage) '22a' worden gelezen. 

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Verhouding ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijk deel
  • a. de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid;
  • b. in uitzondering op sub a is de parapluherzieningen ‘flitsbezorging’ van toepassing, tenzij hier in dit plan reeds in is voorzien;
  • c. in uitzondering op sub a is een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g van de Invoeringswet Omgevingswet in aanvulling op de regels van het TAM-Omgevingsplan onverminderd van toepassing ter plaatse van de functieaanduiding ‘brug’.
1.2 Relatie met de Bruidsschat (tijdelijk deel van het omgevingsplan)

De regels in dit hoofdstuk van het Omgevingsplan gemeente Den Haag gaan voor op de regels in:

  • a. afdeling 22.2 van de bruidsschat, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3; en
  • b. afdeling 22.3

voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

1.3 Geometrische afbakening reikwijdte TAM-Omgevingsplan Laakhaven Centraal

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op Laakhaven Centraal, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met NL.IMRO.0518.TAMLaakCen-20CO.

Artikel 2 Begrippen

a. Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn van overeenkomstig van toepassing op dit omgevingsplan, tenzij in het tweede lid daarvan is afgeweken.

b. Voor de toepassing van hoofdstuk 22a gelden de aanvullende begripsbepalingen als opgenomen in Bijlage 1 bij dit hoofdstuk.

Artikel 3 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

3.1 afstand van een gebouw tot de (achter)perceelsgrens:

de kortste afstand van een gevel van het gebouw tot de (achter)perceelsgrens.

3.2 bebouwingspercentage:

een binnen een bij dit plan behorend geometrisch bepaald vlak of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van een deel van het bouwperceel, dan wel bouwvlak of maatvoeringsvlak, dat ten hoogste mag worden bebouwd; dit percentage heeft geen betrekking op ondergrondse parkeergarages.

3.3 bouwdiepte:

vanaf peil tot aan het laagste punt van het bouwwerk, met uitzondering van de fundering of ondergeschikte onderdelen van het bouwwerk.

3.4 bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde met uitzondering van ondergeschikte bouw(onder)delen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouw(onder)delen.

3.5 dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

3.6 goothoogte van een gebouw:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.7 inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.8 lengte, breedte en diepte van een gebouw:

tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van gemeenschappelijke scheidsmuren).

3.9 oppervlakte en (bruto-)vloeroppervlakte van een gebouw:

de oppervlakte van een ruimte of een groep van ruimtes, gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies die deze ruimte of groep van ruimtes omhullen.

3.10 Woonoppervlakte

het totaal van de oppervlakten van de vertrekken: woonkamer, keuken, badkamer/doucheruimte, slaapkamers(s), zolderkamer indien bereikbaar via vaste trap en met ruime mate van daglichtaanwezigheid. Overige ruimtes: kelder, bijkeuken, wasruimte, bergruimte/schuur, ingebouwde kasten groter dan 2 m², garage, zolder niet zijnde vertrek en verkeersruimten worden niet meegeteld.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 4 Algemene regels over activiteiten

4.1 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de in dit hoofdstuk aan de locatie toegedeelde functie of activiteit.

4.2 Vergunningsplicht
  • a. het is verboden om zonder omgevingsvergunning de functies en activiteiten in dit TAM-omgevingsplan uit te voeren, tenzij anders in de regels is bepaald;
  • b. een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de gestelde regels in dit TAM-omgevingsplan.
4.3 Generiek toegestane activiteiten

De volgende activiteiten zijn in het gehele plangebied toegestaan:

  • a. groen en water;
  • b. sport-, en speelvoorzieningen;
  • c. kunstwerken;
  • d. voetpaden;
  • e. ondergrondse parkeergarages ten behoeve van de in het plangebied toegestane activiteiten;
  • f. ontsluiting van binnen het plangebied gelegen parkeervoorzieningen;en
  • g. laad- en losmogelijkheden voor logistiek verkeer.

Artikel 5 Woongebied

5.1 Algemene regels activiteiten

De volgende functies en activiteiten zijn in een als ‘woongebied’ aangewezen locatie toegestaan: :

  • a. wonen;
  • b. bedrijven met de maximale milieuhindercategorie van 2;
  • c. kantoor;
  • d. maatschappelijk;
  • e. dienstverlening;
  • f. detailhandel;
  • g. horeca, in de categorie licht, middelzwaar en zwaar;
  • h. parkeren;
  • i. fietspaden;
  • j. zorg en welzijn; en
  • k. culturele voorziening.


Bij de functieaanduiding ‘bedrijf’ is de eerste bouwlaag, met uitzondering van de entrees van de woningen, uitsluitend bedoeld voor bedrijven met de maximale milieuhindercategorie van 2;

Ter plaatse van de functieaanduiding 'parkeergarage' is binnen bouwvlak VI een parkeergarage vanaf de tweede bouwlaag toegestaan;

Ter plaatse van de functieaanduiding 'parkeergarage' is binnen bouwvlak IX een bovengrondse parkeergarage toegestaan.

5.2 Bouwregels

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd;
  • b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, tenzij anders is bepaald in de verbeelding;
  • c. de bouwhoogte van gebouwen mag, voor zover niet anders is bepaald, niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;
  • d. in uitzondering op het gestelde onder c, mag een maatvoeringsvlak waarvoor de maximale bouwhoogte op de verbeelding is aangegeven, mits dat stedenbouwkundig aanvaardbaar is, met maximaal 3 meter worden verplaatst;
  • e. de maximale hoogte van de plint mag niet meer dan 9 meter bedragen;
  • f. in afwijking van sub e is voor bouwvlakken II, III, IV, V, VI en VII een maximale hoogte van de plint van 10,5 meter toegestaan;
  • g. in afwijking van sub e is voor bouwvlak IX een maximale hoogte van de plint van 16 meter toegestaan;
  • h. de minimale hoogte van de eerste bouwlaag voor een woonactiviteit mag niet meer dan 3,5 meter bedragen;
  • i. de minimale hoogte van de eerste bouwlaag mag gerekend tot 10 meter vanuit de bouwgrens, niet minder dan 4,5 meter bedragen voor zover het niet een woonactiviteit betreft;
  • j. de maximale hoogte van de stedelijke laag mag maximaal 35 meter bedragen, mits de gemiddelde bouwhoogte binnen het bouwvlak niet meer dan 25 meter bedraagt;
  • k. in uitzondering op j, mag voor bouwvlakken IX, X en XI de maximale bouwhoogte 35 meter bedragen, mits dit naar oordeel van het bevoegd gezag stedenbouwkundig aanvaardbaar is en de gemiddelde bouwhoogte binnen het bouwvlak niet meer dan 25 meter bedraagt;
  • l. binnen de op de verbeelding aangegeven specifieke bouwaanduiding 'uitkraging' mag bij de stedelijke laag maximaal 30% van de zone worden bebouwd met overkragende bebouwing en voorts geldt dat per aaneengesloten overkragende bebouwing de lengte maximaal 30 meter ten opzichte van de gevel is;
  • m. de hoogte van de overkragende bebouwing als bedoeld onder l, mag niet meer bedragen dan de hoogte van de stedelijke laag van de bebouwing binnen het aangrenzende bouwvlak;
  • n. de stedelijke laag dient voor ten minste 1,5 meter terug te liggen ten opzichte van de voorgevelrooilijn van het bouwvlak en voorts geldt dat de lengte van een aaneengesloten inspringing ten opzichte van de gevel maximaal 30 meter bedraagt;
  • o. Laden en lossen dient ten aanzien van bouwvlakken VI, VIII en IX inpandig plaats te vinden;
  • p. de volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied dient niet kleiner te zijn dan het verschil tussen de geluidbelasting van het spoorweglawaai, berekend op basis van het geluidproductieplafond van 2023 en gebaseerd op spectrum 2 (verkeersgeluid), en 31 dB;
  • q. het bouwen van gebouwen voor trillingsgevoelige functies is uitsluitend toegestaan wanneer uit een dynamische berekening van de trillingssterkte blijkt dat de maximale trillingssterkte Vmax en de gemiddelde trillingssterkte Vper tenminste voldoen aan de streefwaarden voor een nieuwe situatie voor de gebouwfunctie wonen uit de richtlijn 'Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen' deel B van Stichting Bouwresearch, zoals deze geldt ten tijde van het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning;
  • r. in uitzondering op het bepaalde onder q is het bouwen van gebouwen voor trillingsgevoelige functies ook toegestaan op voorwaarde dat alle doelmatige of kosteneffectieve maatregelen om de trillingssterkte te verminderen worden getroffen en uit een dynamische berekening blijkt dat tenminste de streefwaarden voor een bestaande situatie voor de gebouwfunctie wonen, zoals bedoeld in richtlijn 'Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen' deel B van Stichting Bouwresearch, niet worden overschreden;
  • s. de situering en vormgeving van gebouwen mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van bezonning en windklimaat waarbij de voor de gemeente Den Haag op moment van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning geldende normen voor windhinder en bezonning in acht wordt genomen;
  • t. elke woning dient ten minste te worden voorzien van 1 geluidluwe gevel;
  • u. voor eenzijdig georiënteerde 1 of 2 kamer woningen dient, in uitzondering op sub t, voor ten minste 50 procent te worden voldaan aan de voorwaarde van een geluidluwe gevel;
  • v. ingeval het niet mogelijk is om de geluidluwe zijde, als bedoeld onder t, te bouwen dient de woning, afgezien van het gestelde onder u, van een niet-geluidgevoelige gevel te worden voorzien; en
  • w. binnen bouwvlak IX moet worden voorzien in een stedenbouwkundig aanvaardbare publieke doorgang tussen de locatie 'Groen' en de Verheeskade'.

5.3 Gebruiksregels
5.3.1 Aan-huis-gebonden bedrijf of beroep
  • a. Daar waar de activiteit wonen is toegestaan mag tevens de activiteit aan-huis-gebonden bedrijf of beroep worden uitgevoerd;
  • b. Ingeval van een aan-huis-gebonden bedrijf of beroep mogen:

  • 1. De activiteiten niet meer dan 30% met een maximum van 40 m2 in beslag nemen
  • 2. de activiteiten geen hinder voor de woonsituatie opleveren en niet op grond van de milieuwetgeving vergunning- dan wel meldingsplichtig zijn;
  • 3. de activiteiten naar de aard en uitstraling geen afbreuk doen aan en in overeenstemming zijn met het karakter van de woning waarbij de activiteiten uitsluitend inpandig mogen worden uitgeoefend en geen buitenopslag en (licht)reclame tot gevolg hebben;
  • 4. de activiteiten geen detailhandel en/of horeca betreffen;
  • 5. de activiteiten aan de woonfunctie geen onevenredige verkeer aantrekkende werking tot gevolg hebben waarbij de activiteiten geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en geen parkeerproblemen in de omgeving veroorzaken.
5.3.2 Verboden activiteiten
  • a. Onder gebruik van de locaties en opstallen in strijd met het wonen wordt in elk geval begrepen:
  • b. gebruik als beroeps- of bedrijfsmatige werk- of opslagruimte, anders dan voor beroep aan huis.
  • c. het bouwkundig splitsen van een bestaande woning tot twee of meer zelfstandige woningen.
  • d. het bewonen, of laten bewonen, van een kamergewijze bewoning door meer dan één persoon per 18m2 gebruiksoppervlakte;
  • e. het verschaffen van kortdurend verblijf van maximaal 3 maanden, te vergelijken met logies, al dan niet als onderdeel van de arbeidsvoorwaarden aan werknemers in een kamergewijze bewoning;
  • f. het gebruik van bijgebouwen als onzelfstandige wooneenheid in een kamergewijze bewoning.
5.3.3 Voldoende gedifferentieerd woningbouwprogramma

Voor woningen geldt dat sprake dient te zijn van een voldoende gedifferentieerd woningbouwprogramma. Daarvan is sprake als wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • a. minimaal 30% van de woningen binnen een bouwvlak bestaat uit een sociale huurwoning;
  • b. in uitzondering op het gestelde onder a, geldt het percentage voor de bouwvlakken X, XI en XII in zijn totaliteit;
  • c. in uitzondering op het gestelde onder a, geldt het percentage voor de bouwvlakken II, III, IV, V, VI, VII en VIII in zijn totaliteit;
  • d. sociale huurwoningen zoals bedoeld onder a dienen verhuurd te worden door een in Den Haag toegelaten instelling;
  • e. minimaal 40% van de woningen binnen een bouwvlak bestaat uit een huurwoning met middeldure huur of betaalbare koopwoning;
  • f. in uitzondering op het gestelde onder e, geldt het percentage voor bouwvlakken X, XI en XII in zijn totaliteit;
  • g. in uitzondering op het gestelde onder e, geldt het percentage voor bouwvlakken II, III, IV, V, VI, VII, VIII in zijn totaliteit;
  • h. middeldure huurwoningen dienen minimaal voor een periode van 20 jaar als middeldure huurwoning te worden geëxploiteerd;
  • i. voor wat betreft woninggrootte, dienen er ten minste twee woningtypes te worden gerealiseerd van <30 m2, 30-50 m2, 50-60 m2, 60-75 m2, 75-100 m2, 100-150 m2 of >150 m2 (gebruiksoppervlak);
  • j. in aanvulling op het gestelde onder e mag geen van de genoemde woningtypes meer dan 60% van het totaal aantal woningen beslaan.
  • k. niet meer dan 20% van de te bouwen woningen binnen het plangebied is van het woningtype <40 m2. Deze 20% is exclusief huisvesting voor studenten en zorgwoningen.
  • l. minimaal 4% van de woningen binnen een bouwvlak bestaat uit een zorgwoning;
  • m. in uitzondering op het gestelde onder l, geldt het percentage voor de bouwvlakken X, XI, XII in zijn totaliteit; en
  • n. in uitzondering op het gestelde onder l, geldt het percentage voor de bouwvlakken II, III, IV, V, VI, VII en VIII in zijn totaliteit.


5.3.4 Vergunningvoorschriften

Met een vergunningsvoorschrift kan worden afgeweken van de regels in 5.3.3, met dien verstande dat:

  • a. sub a en d, ten aanzien van de minimaal voorgeschreven 30% sociale woningbouw ingeval deze wordt ingevuld met woon-zorgwoningen. Deze woningen zijn zelfstandig en hebben een maximale huur tot de eerste aftoppingsgrens ( € 619,01, prijspeil 2020);
  • b. sub a, c en l mits door de initiatiefnemer wordt aangetoond dat in het gehele plangebied wordt voldaan aan de ambitie dat minimaal 30% van de woningen een sociale huurwoning is, minimaal 40% van de woningen een middeldure huurwoning of betaalbare koopwoning is en er is voorzien in minimaal 230 zorgwoningen;
  • c. sub a en e indien binnen de voorgenomen (totale) ontwikkeling van een initiatiefnemer / initiatiefnemers niet meer dan 80 woningen worden gerealiseerd. Deze afwijking is niet van toepassing indien een voorgenomen ontwikkeling met meer dan 80 woningen wordt verdeeld in verschillende aanvragen met minder dan 80 woningen;
  • d. sub a en b ten aanzien van de minimaal voorgeschreven 30% sociale woningbouw voor zover bij de buiten het plangebied gelegen ontwikkelplots tusssen de Lulofsstraat en de Verheeskade een hoger percentage woningbouw wordt gerealiseerd en tevens wordt voldaan aan 30% sociale woningbouw voor de gezamenlijke ontwikkelplots tussen de Lulofsstraat en de Verheeskade;
  • e. sub d voor wat betreft de eis dat een sociale huurwoning verhuurd dient te worden door een in Den Haag toegelaten instelling, mits wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • i. er is aangetoond dat geen van de toegelaten instellingen capaciteit heeft;
  • ii. de woningen worden gedurende minimaal vijftig jaar, ook wanneer er in de tussentijd andere huurders komen te wonen (na mutatie), verhuurd conform de ‘regels voor toewijzing naar inkomen’ die jaarlijks door de Rijksoverheid worden gepubliceerd. Gedurende deze vijftig jaar ligt de huurprijs, ook na mutatie, onder de door het Rijk vastgestelde liberalisatiegrens;
  • iii. voor individuele verkoop (uitponden) of liberaliseren gelden dezelfde regels als bij middenhuur met de toevoeging dat sociale huurwoningen bij verkoop éérst complexgewijs aan de in Den Haag actieve toegelaten instellingen aangeboden moeten worden voordat uitponden aan de orde komt. Bij uitponden wordt (indien een sociale grondprijs is gehanteerd) suppletie berekend;
  • iv. de woningen worden gedurende vijftig jaar, ook na mutatie, ófwel verhuurd aan regulier woningzoekenden via het regionale woonruimteverdeelsysteem ófwel verhuurd aan een (mix) van specifieke doelgroep(en): zorgdoelgroepen of de beroepsgroepen politieagenten, leraren en/ of zorgpersoneel (zie doelgroepen); en
  • v. de verhuurder informeert jaarlijks het bevoegd gezag over de nieuwe verhuringen
  • f. sub e voor wat betreft ontwikkelingen met uitsluitend sociale woningbouw.

 

5.3.5 Wonen
  • a. ter plaatse van de bouwvlakken, met uitzondering van II, III, IV en IX, is wonen, met uitzondering van de entrees van de woningen, uitsluitend boven de plint toegestaan;
  • b. ter plaatse van bouwvlak I zijn maximaal 330 woningen toegestaan;
  • c. ter plaatse van bouwvlakken II, III, IV, V, VI en VII zijn in totaliteit maximaal 2.100 woningen toegestaan;
  • d. ter plaatse van bouwvlak VIII zijn minimaal 400 en maximaal 500 woningen toegestaan;
  • e. ter plaatse van bouwvlak IX zijn minimaal 1200 en maximaal 1.400 woningen toegestaan;
  • f. ter plaatse van bouwvlak X, XI en XII zijn in totaliteit maximaal 1.456 woningen toegestaan.


5.3.6 Detailhandel - woonwinkels
  • a. detailhandel - woonwinkels zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bouwvlak II, III, IV, V en VI;
  • b. ter plaatse van de bouwvlakken als bedoeld onder a, zijn de in de bouwgrens gelegen aan de Waldorpstraat in de plint uitsluitend detailhandel-woonwinkels toegestaan;
  • c. ter plaatse van bouwvlak II, III, IV, V en VI is het bruto-vloeroppervlak voor detailhandel in woonwinkels in totaliteit maximaal 14.000 m2.

5.3.7 Detailhandel - supermarkten
  • a. detailhandel - supermarkten zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bouwvlak VI;
  • b. ter plaatse van bouwvlak VI is het bruto-vloeroppervlak voor detailhandel in supermarkten in totaliteit maximaal 4.500 m2, waarbij het maximum bruto-vloeroppervlak per vestiging maximaal 2.500 m2 mag bedragen.

5.3.8 Detailhandel - regulier
  • a. Detailhandel - regulier is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de bouwvlakken als bedoeld onder b en c;
  • b. ter plaatse van bouwvlak IV, V, VI en VII is het bruto-vloeroppervlak voor detailhandel in totaliteit maximaal 5.000 m2, waarbij het maximum bruto-vloeroppervlak per vestiging maximaal 500 m2 mag bedragen;;
  • c. ter plaatse van bouwvlak X en XI is het bruto-vloeroppervlak voor detailhandel in totaliteit maximaal 250 m2, waarbij het maximum bruto-vloeroppervlak per vestiging maximaal 150 m2 mag bedragen.

5.3.9 Kantoor
  • a. kantoor is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de bouwvlakken als bedoeld onder b tot en met g;
  • b. ter plaatse van bouwvlak II, III is het bruto-vloeroppervlak voor kantoren in totaliteit maximaal 1.000 m2;
  • c. ter plaatse van bouwvlak VI en VII is het bruto-vloeroppervlak voor kantoren in totaliteit maximaal 1.000 m2;
  • d. ter plaatse van bouwvlak VIII is het bruto-vloeroppervlak voor kantoren maximaal 5.000 m2;
  • e. ter plaatse van bouwvlak IX is het bruto-vloeroppervlak voor kantoren minimaal 7.500 m2 en maximaal 10.000 m2;
  • f. ter plaatse van bouwvlak X, XI en XII is het bruto-vloeroppervlak voor kantoren in totaliteit maximaal 6.000 m2;
  • g. ter plaatse van bouwvlak XII is het bruto-vloeroppervlak voor kantoren minimaal 4.000 m2.
5.3.10 Dienstverlening
  • a. Dienstverlening is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de bouwvlakken als bedoeld onder b tot en met d;
  • b. ter plaatse van bouwvlak II, III, IV, V, VI en VII is het bruto-vloeroppervlak voor dienstverlening in totaliteit maximaal 1.500 m2.
  • c. ter plaatse van bouwvlak IX is het bruto-vloeroppervlak voor dienstverlening maximaal 500 m2.
  • d. ter plaatse van bouwvlak X en XI is het bruto-vloeroppervlak voor dienstverlening in totaliteit maximaal 167 m2.
5.3.11 Culturele- en sportvoorzieningen
  • a. culturele voorzieningen en sportvoorzieningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de bouwvlakken als bedoeld onder b tot en met g;
  • b. ter plaatse van bouwvlak II, III, IV, V, VI en VII is het bruto-vloeroppervlak voor culturele voorzieningen en sportvoorzieningen tezamen maximaal 3.000 m2. 
  • c. ter plaatse van bouwvlak IX is het bruto-vloeroppervlak voor culturele voorzieningen en sportvoorzieningen minimaal 1.000 m2 en maximaal 2.000 m2. 
  • d. ter plaatse van bouwvlak X en XI is het bruto-vloeroppervlak voor culturele voorzieningen en sportvoorzieningen tezamen maximaal 3.000 m2.
  • e. ter plaatse van bouwvlak VIII is het bruto-vloeroppervlak voor culturele voorzieningen en sportvoorzieningen minimaal 1.000 m2.
  • f. ter plaatse van bouwvlak VIII is het bruto-vloeroppervlak voor culturele voorzieningen maximaal 8.000 m2.
  • g. ter plaatse van bouwvlak VIII en de als ‘maatschappelijk’ aangewezen locaties is het bruto-vloeroppervlak voor sportvoorzieningen in totaliteit maximaal 3.600 m2.

5.3.12 Horeca

1.
a. horeca in de categorie ‘licht’ is met uitzondering van bouwvlakken I, XII, toegestaan binnen de overige bouwvlakken.

b. horeca in de categorie ‘middelzwaar’ is uitsluitend toegestaan binnen bouwvlak IX, X en XI;

c. horeca in de categorie ‘zwaar’ is uitsluitend toegestaan binnen bouwvlak VIII en X.


2.
a. ter plaatse van bouwvlak II en III is het bruto-vloeroppervlak voor horeca in de categorie ‘licht’ in totaliteit maximaal 500 m2.

b. ter plaatse van bouwvlak IV, V, VI en VII is het bruto-vloeroppervlak voor horeca in de categorie ‘licht’ in totaliteit maximaal 2.000 m2.

c. ter plaatse van bouwvlak VIII is het bruto-vloeroppervlak voor horeca tot en met categorie ‘zwaar’ minimaal 1.000 m2 en maximaal 2.000 m2.

d. ter plaatse van bouwvlak IX is het bruto-vloeroppervlak voor horeca tot en met categorie ‘middelzwaar’ minimaal 100 m2 en maximaal 1.000 m2.

e. ter plaatse van bouwvlak X en XI is het bruto-vloeroppervlak voor horeca in de categorie ‘middelzwaar’ en zwaar’ in totaliteit maximaal 964 m2, waarbij horeca in de categorie ‘zwaar’ uitsluitend is toegestaan binnen bouwvlak XI.

5.3.13 Bedrijf
  • a. bedrijf is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de bouwvlakken als bedoeld onder b tot en met e;
  • b. ter plaatse van bouwvlak I is het bruto-vloeroppervlak voor bedrijven minimaal 9.000 m2 en maximaal 10.000 m2. 
  • c. ter plaatse van bouwvlak II, III en IV is het bruto-vloeroppervlak voor bedrijven in totaliteit maximaal 1.000 m2. 
  • d. ter plaatse bouwvlak IX is het bruto-vloeroppervlak voor bedrijven minimaal 1.500 m2 en maximaal 2.000 m2. 
  • e. ter plaatse van bouwvlak X, XI en XII is het bruto-vloeroppervlak voor bedrijven in totaliteit maximaal 7.000 m2. 
5.3.14 Maatschappelijke voorzieningen
  • a. maatschappelijke voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de bouwvlakken als bedoeld onder b tot en met d;
  • b. ter plaatse van bouwvlak II, III, IV, V, VI en VII is het bruto-vloeroppervlak voor maatschappelijke voorzieningen in totaliteit maximaal 5.500 m2.
  • c. ter plaatse van van bouwvlak IX is het bruto-vloeroppervlak voor maatschappelijke voorzieningen maximaal 500 m2.
  • d. ter plaatse van bouwvlak X, XI en XII is het bruto-vloeroppervlak voor maatschappelijke voorzieningen in totaliteit maximaal 500 m2.
     

Artikel 6 Groen

6.1 Toepassingsbereik

De volgende activiteiten zijn in een als ‘Groen’ aangewezen locatie toegestaan

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. extensief recreatief medegebruik; en
  • c. buitenruimte ten behoeve van aangrenzende maatschappelijke functie.
6.2 Bouwregels

  • a. op het parkeerdek dient sprake te zijn van voldoende gronddekking op een aangepaste constructie ten behoeve van volwaardig groen. Ter plaatse van bomen en heesters heeft het pakket een dikte van minimaal 1 meter of zijn er openingen in het dek.
  • b. voor maximaal 50% van de als ‘groen’ aangewezen locatie is een ondergrondse parkeervoorziening toegestaan.

Artikel 7 Kantoor

7.1 Toepassingsbereik

De volgende activiteiten zijn in een als ‘Kantoor’ aangewezen locatie toegestaan

  • a. kantoor; en
  • b. bedrijven met de maximale milieuhindercategorie 3.1.
7.2 Bouwregels
  • a. gebouwen dienen te worden gebouwd binnen het daartoe op de verbeelding aangegeven bouwvlak;
  • b. de hoogte van gebouwen mag niet meer dan 30 meter bedragen;
  • c. bouwwerken geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;
  • d. de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en perceelafscheidingen, mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  • e. bedrijven in de milieuhindercategorie 3.1 dienen een afstand van minimaal 30 meter aan te houden tot nabijgelegen geluidgevoelige gebouwen.
7.3 Gebruiksregels
  • a. bedrijven zijn uitsluitend ter plaatse van de eerste bouwlaag toegestaan;
  • b. ter plaatse van de als ‘kantoor’ aangewezen locaties is het bruto-vloeroppervlak voor kantoren in totaliteit minimaal 4.000 m2 en maximaal 6.000 m2;
  • c. ter plaatse van de als ‘kantoor’ aangewezen locaties is het bruto-vloeroppervlak voor bedrijven in totaliteit minimaal 2.750 m2 en maximaal 6.000 m2;
  • d. laden en lossen dient binnen het bouwvlak plaats te vinden;
  • e. bij een activiteit als bedoeld onder lid 7.1 onder b, moet worden aangetoond dat geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat wordt veroorzaakt door geluid, geur en trilling.

Artikel 8 Bedrijf

8.1 Toepassingsbereik

De volgende activiteit is in een als ‘Bedrijf’ aangewezen locatie toegestaan

  • a. bedrijven met de maximale milieuhindercategorie 2
8.2 Bouwregels
  • a. gebouwen dienen te worden gebouwd binnen het daartoe op de verbeelding aangegeven bouwvlak;
  • b. de hoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;
  • c. de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en perceelafscheidingen, mag niet meer bedragen dan 4 meter.
8.3 Gebruiksregels
  • a. bij een activiteit als bedoeld onder lid 8.1, onder a, moet worden aangetoond dat geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat wordt veroorzaakt door geluid, geur en trilling.

Artikel 9 Maatschappelijk

9.1 Toepassingsbereik

De volgende functies en activiteiten zijn in een als ‘Maatschappelijk’ aangewezen locatie toegestaan

  • a. onderwijs
  • b. jeugd-/kinder-/buitenschoolse opvang
  • c. buurtcentrum
  • d. culturele voorzieningen
  • e. zorg en welzijn
  • f. wonen
  • g. horeca in de categorie 'licht'
9.2 Bouwregels
  • a. gebouwen dienen te worden gebouwd binnen het daartoe op de verbeelding aangegeven bouwvlak;
  • b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven;
  • c. de maximale bouwhoogte mag niet meer dan 25 meter bedragen.
9.3 Gebruiksregels
  • a. ter plaatse van de als ‘maatschappelijk’ aangewezen locaties is het bruto-vloeroppervlak voor activiteiten als bedoeld in lid 9.1 sub a en b in totaliteit maximaal 4.700 m2;
  • b. ter plaatse van de als ‘maatschappelijk’ aangewezen locaties is het bruto-vloeroppervlak voor horeca in de categorie 'licht' in totaliteit maximaal 200 m2;
  • c. ter plaatse van de als ‘maatschappelijk’ aangewezen locaties zijn in totaliteit minimaal 150 en maximaal 300 woningen toegestaan;
  • d. ter plaatse van bouwvlak VIII en de als 'maatschappelijk' aangewezen locaties is het bruto-vloeroppervlak voor sportvoorzieningen in totaliteit maximaal 3.600 m2;
  • e. ter plaatse van de als 'maatschappelijk' aangewezen locaties is het bruto-vloeroppervlak voor maatschappelijke activiteiten in totaliteit maximaal 2.950 m2.

Artikel 10 Verkeer

10.1 Toepassingsbereik

De volgende functies en activiteiten zijn in een als ‘Verkeer’ aangewezen locatie toegestaan:

  • a. wegen voor gemotoriseerde verkeer;
  • b. fietspaden; en
  • c. parkeren.

 

Bij de functieaanduiding ‘brug’ is tevens een brug ten behoeve van langzaam verkeer toegestaan.

 

Bij de functieaanduiding ‘railverkeer’ is tevens railverkeer toegestaan.

 

Bij de functieaanduiding ‘tunnel’ is tevens een tunnel ten behoeve van langzaam verkeer toegestaan.

Artikel 11 Leiding - Riool

11.1 Toepassingsbereik

De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende functies en activiteiten, mede aangewezen voor de aanleg en instandhouding van een rioolpersleiding met de daarbij behorende bouwwerken geen gebouw zijnde en overige voorzieningen.

11.2 Bouwregels

Voor het bouwen binnen 'Leiding - Riool' als bedoeld in lid 10.1 gelden de volgende regels:

  • a. ten dienste van de in het eerste lid bedoelde locatie zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan;
  • b. ten behoeve van de andere daar voorkomende functies en activiteiten zijn in afwijking van het bepaalde in de bouwregels van de samenvallende functies en activiteiten, geen bouwwerken toegestaan.

11.3 Vergunningsvoorschriften

Het bevoegd gezag kan ten aanzien van lid 11.2, sub b vergunningsvoorschriften stellen voor het toevoegen van bouwwerken geen gebouwen zijnde onder de voorwaarde dat:

  • a. het bouwen geen afbreuk doet aan het doelmatig en veilig functioneren van de in lid 11.1 omschreven leidingen;
  • b. hieromtrent vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de betrokken leiding;
  • c. de bij de onderliggende functies en activiteiten gegeven regels in acht worden genomen.
11.4 Omgevingsvergunning voor het itvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden op of in de voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een door het bevoegd gezag verleende omgevingsvergunning, de hieronder te noemen werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren:

  • I. het roeren, ontginnen, verlagen of afgraven, ophogen, egaliseren of diepploegen van de grond, of het scheuren van grasland;
  • II. het aanleggen of verharden van wegen, paden, parkeergelegenheden, of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • III. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • IV. het aanleggen van drainage;
  • V. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van wateren;
  • VI. het aanleggen van oeverbeschoeiingen, kaden of aanlegplaatsen;
  • VII. het aanleggen van dijken of andere taluds, dan wel het vergraven of ontgraven van reeds bestaande dijken of taluds;
  • VIII. het aanleggen van ondergrondse constructies, installaties of apparatuur, behalve indien deze werken en werkzaamheden zijn aan te merken als een normaal bestanddeel van een doelmatige bedrijfsvoering;
  • IX. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  • X. het verwijderen van bomen of andere opgaande beplanting, anders dan bij wijze van verzorging van de aanwezige houtopstand, voor zover de Omgevingswet of op die wet gebaseerde regelingen niet van toepassing zijn;
  • XI. het permanent opslaan van goederen.

  • b. De onder sub a genoemde verboden gelden niet voor werken en werkzaamheden indien:

  • I. deze noodzakelijk zijn in verband het normale beheer of onderhoud van de leiding en de belemmeringenstrook;
  • II. deze verenigbaar zijn met het doel waarvoor de betreffende grond volgens het TAM-Omgevingsplan is aangewezen;
  • III. deze op het moment van de tervisielegging van het ontwerp TAM-Omgevingsplan reeds bestaan of in uitvoering zijn genomen.

  • c. De onder sub a genoemde bouwwerken of werken zijn slechts toelaatbaar indien:

  • I. deze geen afbreuk doen aan het doelmatig en veilig functioneren van de leiding;
  • II. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de betrokken leiding;
  • III. deze geen neveneffecten teweegbrengen, die de doelmatigheid van de aangewezen functies en activiteiten van de gronden, of van de gronden elders in het plangebied, ingrijpend verstoren.

Artikel 12 Thermische energie uit oppervlaktewater

12.1 Toepassingsbereik

De voor 'Thermische energie uit oppervlaktewater' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende functies en activiteiten, mede aangewezen voor de aanleg en instandhouding van een leiding voor thermische energie uit oppervlaktewater met de daarbij behorende bouwwerken geen gebouw zijnde en overige voorzieningen.

12.2 Bouwregels

Voor het bouwen binnen 'Thermische energie uit oppervlaktewater' als bedoeld in lid 12.1 gelden de volgende regels:

  • a. ten dienste van de in het eerste lid bedoelde locatie zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan;
  • b. ten behoeve van de andere daar voorkomende functies en activiteiten zijn in afwijking van het bepaalde in de bouwregels van de samenvallende functies en activiteiten, geen bouwwerken toegestaan.
12.3 Vergunningsvoorschriften

Het bevoegd gezag kan ten aanzien van 12.2, sub b vergunningsvoorschriften stellen voor het toevoegen van bouwwerken geen gebouw zijnde onder de voorwaarde dat:

  • a. het bouwen geen afbreuk doet aan het doelmatig en veilig functioneren van de in lid 12.1 omschreven leidingen;
  • b. hieromtrent vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de betrokken leiding;
  • c. de bij de onderliggende functies en activiteiten gegeven regels in acht worden genomen.
12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden op of in de voor 'thermische energie uit oppervlaktewater' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een door het bevoegd gezag verleende omgevingsvergunning, de hieronder te noemen werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren:
  • I. het roeren, ontginnen, verlagen of afgraven, ophogen, egaliseren of diepploegen van de grond, of het scheuren van grasland;
  • II. het aanleggen of verharden van wegen, paden, parkeergelegenheden, of het aanbrengen van de andere oppervlakteverhardingen;
  • III. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • IV. het aanleggen van drainage;
  • V. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van wateren;
  • VI. het aanleggen van oeverbeschoeiingen, kaden of aanlegplaatsen;
  • VII. het aanleggen van dijken of andere taluds, dan wel het vergraven of ontgraven van reeds bestaande dijken of taluds;
  • VIII. het aanleggen van ondergrondse constructies, installaties of apparatuur, behalve indien deze werken en werkzaamheden zijn aan te merken als een normaal bestanddeel van een doelmatige bedrijfsvoering;
  • IX. het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
  • X. het verwijderen van bomen of andere opgaande beplanting, anders dan bij wijze van verzorging van de aanwezige houtopstand, voor zover de Omgevingswet of op die wet gebaseerde regelingen niet van toepassing zijn;
  • XI. het permanent opslaan van goederen.
  • b. de onder a. genoemde verboden gelden niet voor werken en werkzaamheden indien:
  • I. deze noodzakelijk zijn in verband het normale beheer of onderhoud van de leiding en de belemmeringenstrook;
  • II. deze verenigbaar zijn met het doel waarvoor de betreffende grond volgens het TAM-Omgevingsplan is aangewezen;
  • III. deze op het moment van de tervisielegging van het ontwerp TAM-Omgevingsplan reeds bestaan of in uitvoering zijn genomen.
  • c. de onder a. genoemde bouwwerken of werken zijn slechts toelaatbaar indien:
  • I. deze geen afbreuk doen aan het doelmatig en veilig functioneren van de leiding;
  • II. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de betrokken leiding;
  • III. deze geen neveneffecten teweegbrengen, die de doelmatigheid van de toegestane functies en activiteiten van de gronden, of van de gronden elders in het plangebied ingrijpend verstoren.

Hoofdstuk 3 Algemene regels voor bouwen en gebruik

Artikel 13 Algemene bouwregels

De in dit plan opgenomen regels zijn van toepassing op elk bouwwerk bedoeld om ter plaatse te functioneren;

  • a. overschrijding van de in het plan aangegeven bebouwingsgrenzen, respectievelijk bebouwingspercentages is - tenzij in de regels anders is bepaald - slechts toegestaan voor balkons boven de stedelijke laag en daarnaast voor ondergeschikte bouwdelen, mits de overschrijding niet meer dan 1 meter , respectievelijk 10% bedraagt.
  • b. Overkragende bebouwing, dient zich op een minimale hoogte van 2,40 meter boven het maaiveld te bevinden, of, voor zover deze boven een rijstrook is gelegen, dient deze zich opeen minimale hoogte van 4,20 meter boven maaiveld te bevinden;
  • c. een overschrijding van de in het plan opgenomen bouwhoogten is toegestaan voor zover het ondergeschikte bouwdelen betreft;
  • d. installaties voor mobiele telecommunicatie zijn toegestaan op gebouwen, die niet als rijks-, of gemeentelijk monument zijn aangewezen;
  • e. tenzij in de regels anders is bepaald, mag binnen een bouwvlak in één laag beneden peil worden gebouwd;
  • f. bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen - zoals transformatorhuisjes, elektriciteitsvoorzieningen, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer - met een maximale bouwhoogte van 3 meter en een maximaal bruto-vloeroppervlak tot 15 m², zijn toegestaan;
  • g. bouwwerken, leidingen en installaties voor het opwekken, opslaan, transporteren en leveren van warmte- en koude, zijn toegestaan.
  • h. bouwwerken en werken geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden mogen geen onaanvaardbare nadelige gevolgen hebben voor de aanleg en instandhouding van het warmte net en bodemenergiesysteem; dit wordt beoordeeld op grond van de kaart die als Bijlage 4 bij de regels is gevoegd, waarbij Haags warmte- en (bodem)energiebeleid in acht wordt genomen;
  • i. bouwwerken geen gebouwen zijnde welke op, over, onder of bij een weg of railweg, dan wel in, onder of bij een water worden gebouwd zijn toegestaan, voor zover het betreft:
      • 1. bouwwerken ten behoeve van de verkeersregeling, verkeersgeleiding, wegaanduiding en/of verlichting;
      • 2. bovenleidingen met bijbehorende draagconstructies of seinpalen;
  • j. een sport- of speeltoestel, waarvan de hoogte, gemeten vanaf de voet, niet meer dan 4 meter bedraagt is toegestaan;
  • k. straatmeubilair is toegestaan;
  • l. een vergunningplichtige bouw- of gebruiksactiviteit is alleen toegestaan onder de voorwaarde dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren van voertuigen en (brom-)fietsen. Deze parkeergelegenheid dient beschikbaar te zijn voordat het laatste gebouw ten behoeve waarvan een parkeervoorziening is vereist die deel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan, wordt opgeleverd.
  • m. er zijn maximaal 2.000 parkeerplaatsen toegestaan binnen de in het plangebied gelegen parkeergarages;
  • n. een ondergrondse parkeergarage dient met uitzondering van toegangsportalen en ontluchtingsmiddelen, beneden peil te worden gebouwd en mag uit niet meer dan 2 lagen bestaan;
  • o. of sprake is van voldoende (fiets)parkeergelegenheid, zoals genoemd onder l wordt bepaald op basis van de (fiets)parkeernormen, (fiets)parkeereisen en berekeningsmethode, zoals opgenomen in:

1. voor motorvoertuigen: de Nota parkeernormen CID en Binckhorst Den Haag 2020, met dien verstande dat indien voornoemde nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging;

2. voor fietsen: de beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016, met dien verstande dat indien voornoemde nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging;

  • p. burgemeester en wethouders passen de Nota parkeernormen CID en Binckhorst Den Haag 2020 en beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016 toe zoals deze geldt op het moment van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning;
  • q. in afwijking van artikel 1.1, onder b en artikel 13, sub m en n, geldt ter plaatse van de bouwvlakken II, III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X, XI en XII de Leidraad Fietsparkeren van het CROW 2025, met dien verstande dat indien de voorgenoemde leidraad gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging;
  • r. burgemeester en wethouders passen, in aanvulling op sub o, de Leidraad Fietsparkeren van het CROW toe zoals deze geldt op het moment van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning;
  • s. zowel openbare- als private parkeergelegenheden, voor het parkeren van personenauto's moeten, voldoen aan NEN-norm 2443. Dit geldt tevens voor parkeerplaatsen ten behoeve van mindervaliden.
  • t. een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt niet eerder verleend dan wanneer er wordt voldaan aan het instrument 'Puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen Den Haag (RIS 301953)'.
  • u. voorzieningen ten behoeve van het gescheiden inzamelen van afval dienen inpandig te worden aangebracht;
  • v. een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt niet verleend voordat is aangetoond dat de planontwikkeling door middel van emissieloos bouwen zal worden gerealiseerd.

Artikel 14 Algemene gebruiksregels

  • 1. Het is verboden de gronden en de zich daarop bevindende opstallen binnen dit plan, te gebruiken, te doen of laten gebruiken, op een wijze of tot een doel, strijdig met de voorgeschreven functie, activiteit of met de regels van het plan; tot verboden gebruik wordt - tenzij in de regels anders is bepaald - in ieder geval gerekend:

  • a. de aanleg of het gebruik van onbebouwde gronden als opslag, stort- of bergplaats behoudens voor zover dit noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;
  • b. het gebruik van gronden en gebouwen voor het uitoefenen van prostitutie en voor de exploitatie van een seksinrichting, een sekswinkel, een paddoshop of een belwinkel;
  • 2. Ingeval van een aan-huis-gebonden bedrijf of beroep mogen:
  • a. de activiteiten geen hinder voor de woonsituatie opleveren en niet op grond van de milieuwetgeving vergunning- dan wel meldingsplichtig zijn;
  • b. de activiteiten naar de aard en uitstraling geen afbreuk doen aan en in overeenstemming zijn met het karakter van de woning waarbij de activiteiten uitsluitend inpandig mogen worden uitgeoefend en geen buitenopslag en (licht)reclame tot gevolg hebben;
  • c. de activiteiten geen detailhandel en/of horeca betreffen;
  • d. de activiteiten aan de woonfunctie geen onevenredige verkeer aantrekkende werking tot gevolg hebben waarbij de activiteiten geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en geen parkeerproblemen in de omgeving veroorzaken;
  • 3. Een vergunningplichtige bouw- of gebruiksactiviteit is alleen toegestaan onder de voorwaarde dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren van voertuigen en (brom-)fietsen. Deze parkeergelegenheid dient beschikbaar te zijn voordat het laatste gebouw ten behoeve waarvan een parkeervoorziening is vereist, die deel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan, wordt opgeleverd.
  • 4. er zijn maximaal 2.000 parkeerplaatsen toegestaan binnen de in het plangebied gelegen parkeergarages.
  • 5. of sprake is van voldoende (fiets)parkeergelegenheid, zoals genoemd onder 3 wordt bepaald op basis van de (fiets)parkeernormen, (fiets)parkeereisen en berekeningsmethode, zoals opgenomen in:
  • a. voor motorvoertuigen: de Nota parkeernormen CID en Binckhorst Den Haag 2020, met dien verstande dat indien voornoemde nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging;
  • b. voor fietsen: de beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016, met dien verstande dat indien voornoemde nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging;
  • 6. burgemeester en wethouders passen de Nota parkeernormen CID en Binckhorst Den Haag 2020 en beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016 toe zoals deze geldt op het moment van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning, waarbij tevens salderen is toegestaan;
  • 7. in afwijking van artikel 1.1, onder b en artikel 14 onder 4 en 5, geldt ter plaatse van de bouwvlakken II, III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X, XI en XII de Leidraad Fietsparkeren van het CROW 2025, met dien verstande dat indien de voorgenoemde leidraad gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging;
  • 8. burgemeester en wethouders passen, in aanvulling op lid 6, de Leidraad Fietsparkeren van het CROW toe zoals deze geldt op het moment van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning;
  • 9. tenzij in de regels anders is bepaald, is een webshop alleen toegestaan mits geen afhaalpunt wordt gerealiseerd en geen uitstalling van goederen plaatsvindt;
  • 10. ambulante handel is met inachtneming van het gestelde in de Verordening straathandel Den Haag 2017 toegestaan;
  • 11. binnen 12 maanden, gerekend vanaf de datum van ingebruikname van de laatst opgeleverde woning, dient een waterberging met inachtneming van eventueel daartoe te stellen eisen door het Hoogheemraadschap Delfland met een capaciteit van PM m3 overeenkomstig het bepaalde in sub 12. van dit artikel gerealiseerd te zijn, het bevoegd gezag kan hieromtrent zekerheden verlangen;
  • 12. De waterberging als bedoeld onder 11 dient duurzaam in stand te worden gehouden en dient aan de volgende randvoorwaarden te voldoen:

  • a. een opvangcapaciteit voor berging van hemelwater van minimaal PM m3;
  • b. vertraagde afvoer van minimaal 24 tot maximaal 48 uur of een neerslag gestuurde lediging die zodanig wordt ingesteld dat voorafgaand aan een bui een hoeveelheid waterberging naar rato van de verwachte neerslag wordt vrijgemaakt.
  • c. over het bepaalde onder a en b dient tijdig advies te worden ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Delfland.